Zedekunde

  van 

Benedictus de Spinoza

  vertaald door 

D: Burger.

 

Zedekunde.

 

Eerste deel.

 

Over God.

  Bepalingen.

  I. Onder oorzaak van zichzelf versta ik dat, welks wezenheid het bestaan insluit, of dat, welks natuur niet anders dan bestaande kan gedacht worden.

II. Dat ding wordt in zijne soort bepaald genoemd, wat door iets anders van dezelfde natuur kan beperkt worden. Een ligchaam b.v. wordt bepaald genoemd, omdat wij steeds een ander, dat grooter is, denken. Zoo wordt eene gedachte door eene andere gedachte beperkt. Maar een ligchaam wordt niet beperkt door eene gedachte, noch eene gedachte door een ligchaam.

III. Door zelfstandig wezen versta ik dat, wat in zich zelf bestaat en door zich zelf gedacht wordt; dat is dat, welks begrip geen begrip van een ander ding noodig heeft, ten einde gevormd te worden.

IV. Door eigenschap versta ik dat wat het verstand van het zelfstandige wezen begrijpt als zijne wezendheid uitdrukkend.

V. Door wijziging versta ik de aandoeningen van een zelfstandig wezen, of dat, wat in een ander is, waardoor het ook gedacht wordt.

VI. Door God versta ik een volstrekt oneindig wezen, dat is een zelfstandig wezen met oneindig vele eigenschappen, waarvan elke de eeuwige en oneindige wezenheid uitdrukt.

Opheldering. Ik zeg volstrekt oneindig, niet: in zijne soort. Want al wat slechts in zijne soort oneindig is, daaraan kunnen wij oneindig vele eigenschappen ontzeggen; maar wat volstrekt oneindig is, tot zijne wezenheid behoort al wat wezenheid uitdrukt en geene ontkenning insluit.

VII. Dat ding zal vrij genoemd worden, hetwelk alleen uit de noodzakelijkheid zijner natuur bestaat en alleen door zich zelf tot handelen genoopt wordt: noodzakelijk daarentegen, of liever gedwongen, wat door iets anders genoopt wordt, om op eene vaste en bepaalde wijs te bestaan en te handelen.

VIII. Door eeuwigheid versta ik het bestaan zelf, voorzoover het als een noodzakelijk gevolg van de enkele bepaling van het eeuwige ding gedacht wordt.

Opheldering. Want zoodanig een bestaan wordt als eene eeuwige waarheid, evenals de wezenheid van een ding gedacht, en kan daarom door de voortduring of de tijd niet uitgedrukt worden, al denkt men zich die voortduring ook zonder begin en einde.

Onmiddelijk klaarblijkelijke waarheden.

I. Al wat bestaat, bestaat óf in zichzelf óf in iets anders.

II. Wat niet door middel van iets anders kan gedacht worden, moet door middel van zich zelf gedacht worden.

III. Is eene bepaalde oorzaak gegeven, dan volgt noodzakelijk het uitwerksel; en omgekeerd, indien er geene bepaalde oorzaak gegeven is, dan is het onmogelijk, dat het uitwerksel volgt.

IV. De kennis van het uitwerksel hangt van de kennis der oorzaak af, en sluit die in.

V. Dingen, die niets met elkander gemeen hebben, kunnen ook door middel van elkander niet begrepen worden, of het begrip van het ééne sluit het begrip van het andere niet in.

VI. Een waar begrip moet met zijn voorwerp overeenkomen.

VII. Al wat als niet bestaande kan gedacht worden, daarvan sluit de wezenheid het bestaan niet in.

Stellingen

Stelling I. Een zelfstandig wezen is uit zijnen aard vóór zijne aandoeningen.

Bewijs. Dit blijkt uit de 3e en 5e bepaling.

Stelling II. Twee zelfstandige wezens met verschillende eigenschappen hebben niets met elkander gemeen.

Bewijs. Dit blijkt uit de 3e bepaling. Ieder toch moet in zichzelf bestaan en door zichzelf gedacht worden, of het begrip van het ééne sluit het begrip van het andere niet in.

Stelling III. Van dingen die niets gemeenschappelijks hebben kan het ééne de oorzaak van het andere niet zijn.

Bewijs. Indien zij niets gemeenschappelijks hebben, kunnen zij bijgevolg (door de 5e onm. kl. waarh.) niet door middel van elkander begrepen worden, en dus (door de 4e o.k.w.) kan het ééne de oorzaak van het andere niet zijn; wat te bewijzen was.

Stelling IV. Twee of meer verschillende dingen worden van elkander onderscheiden volgens het verschil van de eigen- >>
 

schappen der zelfstandige wezens, of volgens het verschil van hunne aandoeningen.

Bewijs. Alles, wat bestaat, is óf in zichzelf, óf in iets anders (door de 1e. o.k.w.), dat is (volgens bep. 3 & 5) buiten het verstand is niets gegeven dan zelfstandige wezens en hunne aandoeningen. Dus is er buiten het verstand niets gegeven, waardoor verscheidene dingen onderling kunnen onderscheiden worden, behalve zelfstandige wezens, of, wat hetzelfde is (volgens de 4e o.k.w.), hunne eigenschappen en de aandoeningen hiervan. w.t.b.w.

Stelling V. In het heelal kunnen geen twee of meer zelfstandige wezens van dezelfde natuur of eigenschap bestaan.

Bewijs. Indien er meer dan één onderscheidene bestonden, moesten zij van elkander onderscheiden worden, óf volgens het verschil hunner eigenschappen, óf volgens het verschil hunner aandoeningen (volgens de vorige stell.). Indien alleen volgens het verschil hunner eigenschappen, dan zal dus worden toegegeven, dat er slechts één is van dezelfde eigenschap. Maar indien volgens het verschil hunner aandoeningen, dan kan, daar een zelfstandig wezen >>

uit zijnen aard vóór zijne aandoeningen is (volgens stell. 1) dit met weglating der aandoeningen en op zichzelf beschouwd, dat is (volgens de 3e en 6e bep.) naar waarheid beschouwd, niet gedacht geworden als van een ander onderscheiden, dat is (volgens de vorige stell.): er kunnen niet meer maar slechts één bestaan. w.t.b.w.

Stelling VI. Een zelfstandig wezen kan niet door een ander zelfstandig wezen worden voortgebragt.

Bewijs. In het heelal kunnen geen twee zelfstandige wezens zijn van dezelfde eigenschap (volgens de vor. stell.) dat is (volgens stell. 2) die iets gemeenschappelijks hebben; en daarom (volgens de 3e stell.) kan het ééne de oorzaak niet zijn van het andere, of het ééne kan door het andere niet voortgebragt worden. w.t.b.w.

Bijstelling. Hieruit volgt, dat geen zelfstandig wezen door iets anders kan voortgebragt worden. Want in het heelal bestaat niets dan zelfstandige wezens en hunne eigenschappen, zooals blijkt uit de 1e o.k.w. en de 3e en 5e bepal. Doch door een zelfstandig wezen kan het niet voortgebragt worden (volgens de vorige stell.). Dus kan een zelfstandig wezen volstrekt niet door iets anders voortgebragt worden. w.t.b.w.

Anders. Dit wordt nog gemakkelijker uit de ongerijmdheid van het tegendeel bewezen. Want indien een zelfstandig wezen door iets anders kon voortgebragt worden, dan moest zijne kennis van de kennis van zijne oorzaak afhangen (volgens de 4e o.k.w.); en dus (volgens de 3e bep.) zou het geen zelfstandig wezen zijn.

Stelling VII. Tot de natuur van een zelfstandig wezen behoort het bestaan.

Bewijs. Een zelfstandig wezen kan niet door een ander worden voortgebragt (volgens de bijstelling der vorige stelling); dus zal het oorzaak van zichzelf zijn, dat is (volgens bep. 1) zijne wezenheid sluit noodzakelijk het bestaan in zich, of tot zijne natuur behoort het bestaan; w.t.b.w.

Stelling VIII. Elk zelfstandig wezen is noodzakelijk oneindig.

Bewijs. Van ééne eigenschap bestaat er slechts één zelfstandig wezen (volgens stell. 5) en tot zijne natuur behoort het bestaan (volgens stell. 7). Dus zal het tot zijne natuur behooren eindig of oneindig te bestaan. Maar niet eindig. Want (volgens bep. 2.) moest het dan door een ander van dezelfde natuur beperkt worden, dat ook noodzakelijk zou moeten bestaan (volgens stell. 7.); en daardoor zouden er twee zelfstandige wezens zijn van dezelfde eigenschap, wat ongerijmd is (volgens stell. 5). Dus bestaat het oneindig. w.t.b.w.

Aanm. 1. Daar eindig te wezen in waarheid eene gedeeltelijke ontkenning is, en oneindig te wezen eene volstrekte verzekering van het bestaan van eenige soort, zoo volgt reeds uit stell. 7 alleen, dat elk zelfstandig wezen oneindig zijn moet.

Aanm. 2. Ik twijfel niet, of voor allen, die verward over de dingen oordeelen, en niet gewoon zijn ze door middel van hunne eerste oorzaken te leeren kennen, is het moeijelijk het bewijs van de zevende stelling te vatten; namelijk omdat zij geen onderscheid maken tusschen de wijzigingen der zelfstandige wezens en de zelfstandige wezens zelve, en niet weten, hoe de dingen worden voortgebragt. Hierdoor gebeurt het, dat zij het begin, hetwelk zij de natuurlijke dingen zien nemen, aan de zelfstandige wezens toedichten. Want zij, die de ware oorzaken der dingen niet weten, verwarren alles en verdichten zonder eenigen tegenzin, dat zoowel boomen als menschen spreken, en stellen zich voor, dat de menschen zoowel uit steenen als door voortteling gevormd en dat allerlei gedaanten in allerlei andere veranderd worden. Zoo schrijven ook zij, die de goddelijke natuur met de menschelijke verwarren, aan God ligtelijk menschelijke hartstogten toe, vooral zoolang als zij nog niet weten, hoe de hartstogten in den geest worden voortgebragt. Indien echter de menschen op de natuur van >>

het zelfstandige wezen acht gaven, dan zouden zij volstrekt niet aan de waarheid der 7e stelling twijfelen; ja dan zou deze stelling voor allen eene onmiddelijk klaarblijkelijke waarheid zijn en onder de algemeen aangenomene begrippen geteld worden. Want dan zouden zij onder een zelfstandig wezen datgene verstaan, wat in zich zelf is en door zich zelf gedacht wordt, dat is welks kennis de kennis van iets anders niet noodig heeft: doch onder wijzigingen datgene, wat in iets anders is, en waarvan het begrip uit het begrip van datgene, waarin zij zijn, gevormd wordt. Derhalve kunnen wij van niet bestaande wijzigingen ware begrippen hebben; omdat al bestaan zij niet werkelijk buiten het verstand, echter hare wezenheid alzoo in iets anders bevat wordt, dat zij met behulp daarvan kunnen gedacht worden. De waarheid echter van zelfstandige wezens is niet buiten het verstand, behalve in hen zelve, omdat zij door middel van zich zelve gedacht worden. Indien dus iemand zeide, dat hij een helder en duidelijk, dat is waar denkbeeld van een zelfstandig wezen had en des niet te min twijfelde, of zulk een zelfstandig wezen bestond, dan ware dit hetzelfde alsof hij zeide, dat hij een waar denkbeeld had en des niet te min twijfelde of het ook valsch was (gelijk bij voldoende opmerkzaamheid duidelijk blijkt); of indien iemand stelt, dat een zelfstandig >>
wezen geschapen wordt, dan stelt hij tevens, dat een valsch denkbeeld waar is geworden, wat het ongerijmdste is, dat men zich kan voorstellen. Derhalve moet men noodzakelijk erkennen, dat het bestaan van een zelfstandig wezen evenzeer als zijne wezenheid eene eeuwige waarheid is. En hieruit kunnen wij nog op eene andere wijs de gevolgtrekking maken, dat er slechts één zelfstandig wezen is van dezelfde natuur; hetgeen ik der moeite waardig heb geoordeeld hier aan te toonen. Om dit evenwel geregeld te kunnen doen, moet opgemerkt worden; 1. dat de ware bepaling van eenige zaak niets insluit noch uitdrukt behalve de natuur der bepaalde zaak. Hieruit volgt 2, dat geene bepaling een bepaald getal enkele wezens insluit, noch uitdrukt, nademaal zij niets anders uitdrukt dan de natuur der bepaalde zaak. De bepaling van den driehoek bij voorbeeld drukt niets anders uit dan de eenvoudige natuur van den driehoek; maar geen bepaald aantal van driehoeken. 3. Verder moet opgemerkt worden, dat er noodzakelijk eene bepaalde oorzaak van ieder bepaald ding moet gevonden worden, waardoor het bestaat. 4. Eindelijk is op te merken, dat deze oorzaak, waardoor iets bestaat, moet bevat worden óf in de natuur en bepaling zelve van het bestaande ding, >>
(namelijk omdat het bestaan tot zijne natuur behoort) óf daar buiten moet gegeven worden. Als dit is vastgesteld, volgt, dat, wanneer in de natuur een bepaald getal enkele dingen bestaat, er noodzakelijk eene oorzaak bestaan moet, waarom die enkele dingen en waarom er niet meer noch minder bestaan. Indien er bij voorbeeld in het heelal twintig menschen bestonden (die ik om de duidelijkheid veronderstel, dat te gelijk bestaan, terwijl er vroeger geen anderen in het heelal bestaan hadden), dan zal het niet genoeg wezen, ten einde rekenschap te geven waarom die twintig menschen bestaan, de oorzaak der menschelijke natuur in het algemeen aan te toonen, maar daarenboven zal het noodig zijn, de oorzaak aan te toonen, waarom er niet meer noch minder dan twintig bestaan; daar er (volgens 3) van ieder ding noodzakelijk eene oorzaak zijn moet, waardoor het bestaat. Doch deze oorzaak kan (volgens 2 en 3) niet in de menschelijke natuur zelve begrepen zijn, dewijl de ware bepaling van den mensch het getal twintig niet insluit. Dus moet (volgens 4) de oorzaak, waardoor deze twintig menschen bestaan, en bijgevolg, waardoor een iegelijk bestaat, buiten eenen iegelijk ge- >>

vonden worden; en dus moet men in het algemeen besluiten, dat alles, van welks natuur verscheidene enkele dingen kunnen bestaan, noodzakelijk, om te bestaan, eene uitwendige oorzaak moet hebben. Daar het nu (volgens het in deze aanmerking reeds aangetoonde) tot de natuur van een zelfstandig wezen behoort te bestaan, zoo moet zijne bepaling noodzakelijk bestaan insluiten, en bijgevolg moet uit zijne bepaling alleen zijn bestaan besloten worden. Maar uit zijne bepaling (gelijk wij reeds volgens 2 en 2 hebben aangetoond) kan het bestaan van meer zelfstandige wezens niet volgen. Dus volgt daaruit noodzakelijk, dat er slechts één van dezelfde natuur bestaat, gelijk gesteld was.

Stelling IX. Naarmate eenig ding meer werkelijkheid of zijn heeft, komen hem meer eigenschappen toe.

Bewijs. Dit blijkt uit bep. 4.

Stelling X. Elke eigenschap van een zelfstandig wezen moet door zich zelve gedacht worden.

Bewijs. Want eigenschap is datgene, wat het verstand van het zelfstandige wezen begrijpt als zijne wezenheid uitdrukkend. (volgens bep. 4); en derhalve (volgens bep. 3) moet zij door zich zelve gedacht worden. w.t.b.w.

Aanmerking. Hieruit blijkt, dat, ofschoon twee eigenschappen als werkelijk verschillend >>

gedacht worden, dat is, de eene zonder de hulp der andere, wij echter daaruit niet kunnen besluiten, dat zij twee verschillende zelfstandige wezens uitdrukken. Want het behoort tot de natuur van een zelfstandig wezen, dat elke zijner eigenschappen op zichzelve gedacht worde; daar alle eigenschappen, welke het heeft, er altijd in geweest zijn, en de ééne niet door de andere kon voortgebragt worden; maar elke de werkelijkheid of het zijn van het zelfstandige wezen uitdrukt. Het is er dus verre van daan, dat het ongerijmd zou zijn aan één zelfstandig wezen meerdere eigenschappen toe te schrijven; ja niets is duidelijker dan dat elk wezen met eenige eigenschap moet gedacht worden, en naar mate het meer werkelijkheid of zijn heeft des te meer eigenschappen, die de noodzakelijkheid of eeuwigheid en de oneindigheid uitdrukken, bezit; en bij gevolg is ook niets duidelijker dan dat een volstrekt oneindig wezen  noodzakelijk moet bepaald worden (zooals wij in bep. 6 geleerd hebben) als bestaande uit oneindig vele eigenschappen, waarvan elke de eeuwige en oneindige wezenheid uitdrukt. Indien nu echter iemand vraagt, aan welk teeken wij dan het verschil der zelfstandige wezens kunnen onderkennen, zoo leze hij de volgende stellingen, welke aantoonen, dat er in het heelal slechts één zelfstandig wezen bestaat, en dat dit volstrekt oneindig is, weshalve dit teeken te vergeefs zou gezocht worden.

Stelling XI. God of het zelfstandige wezen met oneindig vele eigenschappen, >>

waarvan elk de eeuwige en oneindige wezenheid uitdrukt, bestaat noodzakelijk. 

Bewijs. Indien gij het ontkent, denk dan, als het mogelijk is, dat God niet bestaat. Derhalve (volgens de 7e o.k.w.) sluit zijne wezenheid het bestaan niet in. Dit is echter (volgens stell. 7) ongerijmd. Dus bestaat God noodzakelijk w.t.b.w. 

Anders. Van ieder ding moet eene reden of oorzaak worden opgegeven, zoowel waarom het bestaat, als waarom het niet bestaat. Bij voorbeeld indien een driehoek bestaat, dan moet er eene reden of oorzaak wezen, waarom hij bestaat; en indien hij niet bestaat, dan moet er ook eene reden of oorzaak wezen, welke belet, dat hij bestaat, of welke zijn bestaan opheft. Deze reden of oorzaak moet óf in de natuur van het ding bevat zijn, óf daar buiten. Bij voorbeeld de reden, waarom een vierkante cirkel niet bestaat, ligt in zijne natuur zelve, namelijk omdat die eene tegenstrijdigheid insluit. Waarom nu een zelfstandig wezen bestaat volgt uit zijne natuur alleen, omdat die namelijk het bestaan insluit. (zie stell. 7.) Maar de reden, waarom een cirkel of driehoek bestaat of niet bestaat, volgt niet uit hunne natuur, maar uit den zamenhang der geheele ligchamelijke natuur. Want daaruit moet volgen, óf dat een driehoek op het oogenblik noodzakelijk bestaat, óf dat het onmogelijk is, dat hij nu bestaat. En dit is op zichzelf klaarblijkelijk. Hieruit volgt, dat datgene >>

noodzakelijk bestaat, welks bestaan door geene reden of oorzaak belet wordt. Indien er dus geene reden of oorzaak kan zijn, waardoor het bestaan van God belet wordt, of waardoor zijn bestaan wordt opgeheven, dan moeten wij volstrekt besluiten, dat hij noodzakelijk bestaat. Doch indien er zulk eene reden of oorzaak was, dan moest zij óf in de natuur van God zelve, óf buiten haar zijn, dat is in een ander zelfstandig wezen van eene andere natuur. Want indien zij van dezelfde natuur was, dan was juist daardoor toegegeven, dat God bestaat. Maar een zelfstandig wezen, dat van eene andere natuur was, zou (volgens stell. 2) niets met God gemeen kunnen hebben en dus ook zijn bestaan niet kunnen stellen noch opheffen. Daar er dus buiten de goddelijke natuur geene reden of oorzaak bestaan kan, welke het bestaan van God opheft, zal die noodzakelijk, indien hij niet bestaat, in zijne natuur zelve moeten gevonden worden, die daarom eene tegenstrijdigheid zou insluiten. Het is echter ongerijmd dit van het oneindige, volmaakte wezen te beweren, dus is er noch in God noch buiten God eene reden of oorzaak, welke zijn bestaan opheft, en derhalve bestaat God noodzakelijk. w.t.b.w. 

Anders. Niet te kunnen bestaan is magteloosheid en daarentegen kunnen >>

bestaan magt (gelijk van zelfs spreekt). Indien dus wat noodzakelijk bestaat niets is dan eindige wezens; dan zijn bijgevolg de eindige wezens magtiger dan het volstrekt oneindige wezen: en dit is (gelijk van zelfs spreekt) ongerijmd. Derhalve bestaat er niets, of het volstrekt oneindige wezen bestaat noodzakelijk ook. Wij bestaan echter óf in ons, óf in iets anders, dat noodzakelijk bestaat. (zie o.k.w. 1. en stell. 7). Derhalve bestaat het volstrekt oneindige wezen, dat is (volgens bep. 6) God, noodzakelijk; w.t.b.w. 

Aanmerking. In dit laatste betoog heb ik het bestaan van God van achteren willen aantoonen, opdat het bewijs gemakkelijker zou begrepen worden; echter niet daarom, dewijl uit dezen zelfden grondslag het bestaan van God niet van voren volgt. Want daar te kunnen bestaan magt is, volgt, dat naar mate er meer werkelijkheid aan de natuur van eenig ding toekomt, dit des te meer krachten van zichzelf heeft, om te bestaan; en dat derhalve het volstrekt oneindige wezen of God eene volstrekt oneindige magt om te bestaan van zichzelf heeft, weshalve het volstrekt bestaat. Velen zullen echter niet ligt de klaarblijkelijkheid van dit betoog kunnen inzien, dewijl zij gewoon zijn, alleen die dingen te beschouwen, die uit uiterlijke oorzaken voortkomen; en hiervan zien zij die welke spoedig gemaakt worden, dat is, welke gemakkelijk ontstaan, ook gemakkelijk vergaan, en daarentegen houden zij >>

die dingen voor moeijelijker om gemaakt te worden, dat is niet zoo gemakkelijk om te onstaan, waartoe zij zich voorstellen dat meer noodig is. Doch opdat zij van deze vooroordeelen mogen bevrijd worden, behoef ik niet aan te toonen, op welke wijs deze uitspraak: wat spoedig ontstaat, spoedig vergaat, waar is, noch ook of ten opzigte van de geheele natuur alles even gemakkelijk is of niet; maar het is genoeg alleen dit op te merken, dat ik hier niet spreek van dingen, die door uiterlijke oorzaken worden te weeg gebragt, maar alleen van zelfstandige wezens, die (volg. stell. 6) door geene uiterlijke oorzaak kunnen voortgebragt worden. Want de dingen, die door uiterlijke oorzaken worden te weeg gebragt, hetzij die uit veel hetzij uit weinig deelen bestaan, al wat zij van volmaaktheid of werkelijkheid hebben, is geheel aan de kracht der uiterlijke oorzaak toe te schrijven, en daarom ontstaat hun bestaan alleen uit de volmaaktheid der uiterlijke oorzaak, niet uit de hare.°) Daarentegen al wat het zelfstandige wezen van volmaaktheid heeft, is het aan geene uiterlijke oorzaak verschuldigd; weshalve ook zijn bestaan uit zijne natuur alleen moet volgen, die dus niets anders is dan zijne wezenheid. Derhalve heft de volmaaktheid het bestaan van een ding niet op, maar stelt dit daarentegen; doch >>

de onvolmaaktheid heft het op, en derhalve kunnen wij van het bestaan van geen ding zekerder zijn dan van dat van het volstrekt oneindige of volmaakte wezen, dat is van God. Want daar zijne wezenheid alle onvolmaaktheid uitsluit en de volstrekte volmaaktheid insluit, neemt het juist hierdoor allen grond weg om aan zijn bestaan te twijfelen, en geeft daarvan de hoogste zekerheid, hetgeen ik geloof, dat voor iemand, die slechts eenigzins oplet, duidelijk zijn zal. 

Stelling XII. Geene eigenschap van het zelfstandige wezen kan naar waarheid gedacht worden, waaruit zou volgen, dat het zelfstandige wezen kan gedeeld worden. 

Bewijs. De deelen toch, waarin het zelfstandige wezen aldus gedacht zou gedeeld worden, zullen óf de natuur van het zelfstandige wezen behouden, óf niet. In het eerste geval, zal (volgens stell. 8) elk deel oneindig moeten zijn, en (volgens stell. 6) oorzaak van zichzelf, en (volgens stell. 5) moeten bestaan uit eene verschillende eigenschap, en dus zullen uit één zelfstandig wezen meerdere kunnen gemaakt worden, wat (volgens stell. 6) ongerijmd is. Voeg hierbij, dat de deelen (volgens stell. 2) niets met hun geheel gemeen zouden hebben, en het geheel (volgens bep. 4 en stell. 10) zonder zijne deelen zou kunnen bestaan en gedacht worden, wat niemand kan betwijfelen dat ongerijmd is. Indien echter het tweede >>

gesteld wordt, namelijk dat de deelen de natuur van het zelfstandige wezen niet zullen behouden; dan zou dus, wanneer het geheele zelfstandige wezen in gelijke deelen verdeeld was, dit de natuur van een zelfstandig wezen verliezen en ophouden te bestaan, wat (volgens stell. 7) ongerijmd is. 

Stelling XIII. Het volstrekt oneindige zelfstandige wezen is ondeelbaar. 

Bewijs. Want indien het deelbaar was, dan zouden de deelen, waarin het verdeeld werd, de natuur van het volstrekt oneindige zelfstandige wezen behouden of niet. In het eerste geval, zullen er dus meerdere zelfstandige wezens van dezelfde natuur bestaan, wat (volgens stell. 5) ongerijmd is. Indien het tweede gesteld wordt, dan zal dus (zooals boven) het volstrekt oneindige zelfstandige wezen kunnen ophouden te bestaan, wat (volgens stell. 11) ook ongerijmd is. 

Bijstelling. Hieruit volgt, dat geen zelfstandig wezen, en bijgevolg geen ligchamelijk zelfstandig wezen, voorzoover het een zelfstandig wezen is, deelbaar is. 

Aanmerking. Dat het zelfstandige wezen ondeelbaar is wordt gemakkelijker hieruit alleen begrepen, dat de natuur van het zelfstandige wezen niet anders dan oneindig kan gedacht worden, en dat door een deel van een zelfstandig wezen niets anders kan ge- >>

dacht worden dan een eindig zelfstandig wezen, hetgeen (volgens stell. 8) eene klaarblijkelijke tegenstrijdigheid insluit. 

Stelling. XIV. Behalve God kan geen zelfstandig wezen bestaan noch gedacht worden. 

Bewijs. Daar God het volstrekt oneindige wezen is, aan hetwelk geene eigenschap, die de wezenheid van een zelfstandig wezen uitdrukt, kan ontzegd worden (volgens bep. 6), en daar hij noodzakelijk bestaat (volgens stell. 11); zou, indien er eenig ander zelfstandig wezen buiten God bestond, dit moeten uitgedrukt worden door eenige eigenschap van God, en alzoo zouden er twee zelfstandige wezens van dezelfde eigenschap bestaan, hetgeen (volg. stell. 5.) ongerijmd is; en alzoo kan er geen zelfstandig wezen buiten God bestaan, en bij gevolg ook niet gedacht worden. Want indien het kon gedacht worden, moest het noodzakelijk gedacht worden als bestaande; doch dit is (volgens het eerste gedeelte van dit bewijs) ongerijmd. Derhalve kan er buiten God geen zelfstandig wezen bestaan, noch gedacht worden; w.t.b.w. 

Bijstelling I. Hieruit volgt ten duidelijkste 1. dat God de eenige is, dat is (volgens bep. 6) dat er in het heelal slechts één zelfstandig wezen bestaat, en dat dit volstrekt >>

oneindig is, gelijk wij in de aanmerking op stell. 10 reeds hebben aangeduid. 

Bijstelling II. Ook volgt 2, dat het uitgebreide en het denkende óf eigenschappen Gods zijn, óf (volgens de 1e o.k.w.) aandoeningen van eigenschappen Gods. 

Stelling XV. Al wat is, is in God, en niets kan zonder God zijn noch gedacht worden. 

Bewijs. Buiten God is geen zelfstandig wezen en kan er geen gedacht worden (volg. stell. 14) dat is (volgens bep. 3) geen ding, dat in zich is en door zich gedacht wordt. De wijzigingen echter (volg. bep. 5) kunnen zonder het zelfstandige wezen niet zijn noch gedacht worden; weshalve deze alleen in de goddelijke natuur kunnen zijn en door middel van haar kunnen  gedacht worden. Behalve zelfstandige wezens en wijzigingen is er echter niets (volg. de 1e o.k.w.) Derhalve kan niets zonder God zijn noch gedacht worden; w.t.b.w. 

Aanmerking. Er zijn er, die zich God voorstellen als uit ligchaam en ziel bestaande en aan hartstogten onderhevig. Hoe verre zij echter van de ware Godskennis afdwalen, blijkt genoegzaam uit het reeds bewezene. Doch dezen laat ik rusten. Allen toch, die maar eenig inzicht in de goddelijke natuur hebben, ontkennen, >>

dat God ligchamelijk is; hetgeen zij ook zeer goed daaruit bewijzen, dat wij onder ligchaam eene zekere grootheid, die lang, breed en diep is en eene bepaalde gedaante heeft, verstaan, terwijl men niets ongerijmders dan dit van God, het volstrekt oneindige wezen, zeggen kan. Door andere redeneringen echter, waarmede zij hetzelfde trachten te bewijzen, toonen zij duidelijk, dat zij het ligchamelijke of uitgebreide wezen zelf geheel van de goddelijke natuur afscheiden, en zij stellen, dat dit door God geschapen is. Door welke goddelijke magt dit echter kan geschapen worden weten zij volstrekt niet; hetgeen duidelijk toont, dat zij zelve niet begrijpen wat zij zeggen. Ik althans heb, naar mij voorkomt, duidelijk genoeg bewezen (zie bijstell. stell. 6 en aanm. 2. stell. 8) dat geen zelfstandig wezen door een ander kan voortgebragt of geschapen worden. Verder hebben wij (in stell. 14) aangetoond, dat er behalve God geen zelfstandig wezen kan zijn noch gedacht worden. En hieruit hebben wij de gevolgtrekking gemaakt, dat het uitgebreide een van de oneindige eigenschappen Gods is. Doch tot vollediger verduidelijking zal ik de bewijzen der tegenstanders weerleggen, die allen hier op neerkomen. Vooreerst, dat het lig- >>

chamelijke zelfstandige wezen, als zelfstandig wezen, gelijk zij meenen, uit deelen bestaat; waarom zij beweren dat het niet oneindig zijn en dus niet tot God behooren kan. En dit helderen zij met vele voorbeelden op, waaruit ik er een paar zal aanhalen. Indien het ligchamelijke zelfstandige wezen, zeggen zij, oneindig is, dan denke men, dat het in twee deelen verdeeld wordt; en dan zal elk deel eindig of oneindig zijn. In het eerste geval bestaat dus iets oneindigs uit twee eindige deelen, hetwelk ongerijmd is. In het tweede geval is er dus iets oneindigs, dat tweemaal zoo groot is als iets anders oneindigs, hetwelk ook ongerijmd is. Verder, indien de oneindige grootheid gemeten wordt met deelen, die de grootte van voeten hebben, dan moet het uit een oneindig aantal zulke deelen bestaan, en evenzoo indien het met deelen gemeten wordt, die de grootte van duimen hebben; en daarom zal een oneindig getal twaalfmaal zoo groot zijn als een ander oneindig getal. Eindelijk, indien men zich voorstelt, dat uit een punt van eene oneindige grootheid twee lijnen AB en AC
http://www.despinoza.nl/ethica/p023afb.jpgmet eenen in den beginne bepaalden afstand in het oneindige verlengd worden: >>

dan is het zeker, dat de afstand tusschen B en C aanhoudend vermeerderd wordt, en eindelijk van bepaald onbepaalbaar zal worden. Dewijl dus deze ongerijmdheden, gelijk zij meenen, daaruit volgen, dat de grootheid oneindig gesteld wordt, zoo besluiten zij, dat het ligchamelijke zelfstandige wezen eindig zijn moet, en dat het dus niet tot de wezenheid van God kan behooren. Het tweede bewijs wordt ook aan de groote volmaaktheid van God ontleend. Want God, zeggen zij, kan als zijnde het allervolmaaktste wezen niet lijden; doch het ligchamelijke wezen kan, omdat het deelbaar is, wel lijden; dus volgt, dat het niet tot Gods wezenheid behoort. Dit zijn de bewijzen, die ik bij de schrijvers vind, waarmede zij zoeken aan te toonen, dat het ligchamelijke zelfstandige wezen de goddelijke natuur onwaardig is, en niet daartoe kan behooren. Indien iemand evenwel goed oplet, dan zal hij bevinden, dat ik hierop geantwoord heb; daar deze redeneringen slechts daarop gebouwd zijn, dat zij veronderstellen, dat het ligchamelijke zelfstandige wezen uit deelen is zamengesteld, hetgeen ik reeds (stell. 12 met de bijst. van stell. 13) als ongerijmd heb doen kennen. Wanneer iemand verder de zaak goed wil overwegen, dan zal hij inzien, dat al die ongerijmdheden (indien het allen ongerijmdheden zijn, waar- >>
over ik nu niet redetwist), waaruit zij willen besluiten, dat het uitgebreide zelfstandige wezen eindig is, geenszins daaruit volgen, dat de grootheid oneindig gesteld wordt, maar daaruit, dat zij veronderstellen, dat de oneindige grootheid meetbaar en uit deelen is zamengesteld;°) weshalve zij uit de ongerijmdheden, die daaruit volgen, niets anders kunnen besluiten, dan dat de oneindige grootheid niet meetbaar is, en dat zij niet uit eindige deelen kan zamengesteld worden. En dit is hetzelfde, hetwelk wij boven (stell. 12. enz.) reeds bewezen hebben. Daarom schieten zij den pijl, dien zij op ons aanleggen, in waarheid op zichzelven af. Indien zij zelven dus uit deze hunne eigene ongerijmdheid echter willen besluiten, dat het uitgebreide zelfstandige wezen oneindig zijn moet, dan doen zij waarlijk niets anders dan indien iemand daaruit, dat hij aan eenen cirkel de eigenschappen van een vierkant heeft toegedicht, besluit, dat een cirkel geen middelpunt heeft, waaruit al de naar den omtrek getrokken lijnen gelijk zijn.°) Want het ligchamelijke zelfstandige wezen, dat niet anders dan oneindig, eenig en ondeelbaar kan gedacht >>
worden (zie stell. 8. 5 en 12), dat stellen zij zelve, om te besluiten, dat het eindig is, zich voor als uit eindige deelen zamengesteld, veelvuldig en deelbaar. Zoo weten ook anderen, nadat zij verdicht hebben, dat eene lijn uit punten is zamengesteld, vele bewijzen te vinden, om aan te toonen, dat eene lijn niet in het oneindige kan gedeeld worden. En voorzeker is het niet minder ongerijmd te stellen, dat het ligchamelijke zelfstandige wezen uit ligchamen, of deelen is zamengesteld dan dat een ligchaam uit vlakken, een vlak uit lijnen, eene lijn uit punten is zamengesteld. En dit moeten allen bekennen, die weten, dat de heldere reden onfeilbaar is, en vooral zij, die leeren, dat er geene ledige ruimte bestaat. Want indien het ligchamelijke zelfstandige wezen zóó kon verdeeld worden, dat zijne deelen werkelijk onderscheiden waren; waarom zou dan één deel niet kunnen vernietigd worden, terwijl de overige evenals te voren onderling verbonden bleven? En waarom moeten allen zoo aaneengevoegd worden, dat er geene ledige ruimte bestaat? Voorwaar van dingen, die werkelijk van elkander onderscheiden zijn, kan het ééne zonder het andere bestaan en in zijnen toestand blijven. Daar er dus in de natuur geene ledige ruimte bestaat (waarover elders), maar alle deelen alzoo moeten zamenkomen, dat er geene ledige ruimte >>is; volgt hieruit ook, dat zij niet werkelijk kunnen onderscheiden worden, dat is, dat het ligchamelijke zelfstandige wezen, voor zooverre het een zelfstandig wezen is, niet kan gedeeld worden. Indien nu evenwel iemand vraagt, waarom wij van nature zoo geneigd zijn om de grootheid te deelen, dan antwoord ik hem, dat de grootheid op twee wijzen door ons gedacht wordt, namelijk afgetrokken of oppervlakkig, voorzoover wij haar namelijk aan ons voorstellen, of als een zelfstandig wezen, wat alleen door het verstand geschiedt. Indien wij dus op de grootheid letten, voorzooverre die in de verbeelding is, wat meermalen en het gemakkelijkst door ons gedaan wordt, zal zij eindig, deelbaar en uit deelen zamengesteld bevonden worden; maar indien wij op haarzelve, zooals zij in het verstand is, letten, en haar voor zoo verre zij een zelfstandig wezen is denken, wat zeer moeijelijk geschiedt, dan zal zij, gelijk wij reeds voldoende bewezen hebben, oneindig, eenig en ondeelbaar bevonden worden. Dit zal voor allen, die de verbeelding en het verstand hebben leeren onderscheiden, duidelijk genoeg zijn; vooral indien ook hierop gelet wordt, dat de stof overal dezelfde is, en in haar geene deelen worden onderscheiden, behalve voor zoo verre wij de stof als op verschillende wijs aangedaan >>
denken, zoodat hare deelen slechts naar hunne wijziging niet naar hun wezen onderscheiden worden. Water bijvoorbeeld, voor zoo ver het water is, denken wij als deelbaar en zijne deelen als onderling scheidbaar: maar niet, voor zoo ver het een zelfstandig ligchamelijk wezen is; want in zoo verre wordt het noch gescheiden noch verdeeld. Verder wordt water, als water, voortgebragt en vernietigd; maar als zelfstandig wezen wordt het noch voortgebragt noch vernietigd. En hiermede meen ik ook op de tweede redenering geantwoord te hebben, daar die ook daarop gebouwd is, dat de stof, als stof, deelbaar en uit deelen zamengesteld zijn zou. En al was dit niet waar, dan weet ik niet, waarom zij der goddelijke natuur onwaardig°) zijn zou, daar (volgens stell. 14) buiten God geen zelfstandig wezen bestaan kan, waarvan hij zou lijden. Alles, zeg ik, is in God, en alles, wat gebeurt, gebeurt alleen volgens de wetten der oneindige goddelijke natuur, en volgt (gelijk ik weldra zal aantoonen) uit de noodzakelijkheid zijner wezenheid. Daarom kan volstrekt niet gezegd worden, dat God van iets anders lijdt; of dat het uitgebreide zelfstandige wezen der goddelijke natuur onwaardig is, al wordt het als deelbaar gedacht, mits men toegeve, >>

dat het eeuwig en oneindig is. Doch hiervan is op het oogenblik genoeg gezegd. 

Stelling XVI. Uit de noodzakelijkheid der goddelijke natuur moet oneindig veel op oneindig vele wijzen (dat is, alles wat onder een oneindig verstand vallen kan) volgen. 

Bewijs. Deze stelling moet voor ieder duidelijk wezen, indien hij slechts hierop let, dat uit de gegevene bepaling van elk ding het verstand verscheidene eigenaardigheden afleidt, die noodzakelijk daaruit (dat is uit de wezenheid zelve der zaak) volgen, en wel des te meer naar mate de bepaling der zaak meer werkelijkheid uitdrukt, dat is, naarmate de wezenheid der bepaalde zaak meer werkelijkheid insluit. Daar echter de goddelijke natuur volstrekt oneindig vele eigenschappen heeft (volgens bep. 6), waarvan ook elke in hare soort oneindige wezenheid uitdrukt, moet dus uit hare noodzakelijkheid oneindig veel op oneindig vele wijzen (dat is, alles wat onder een oneindig verstand kan vallen) met noodzakelijkheid volgen; w.t.b.w. 

Bijstelling I. Hieruit volgt, dat God van alle dingen, die onder een oneindig verstand kunnen vallen, de bewerkende oorzaak is. 

Bijstelling II. Hieruit volgt 2. dat God de regtstreeksche, niet de zijdelingsche, oorzaak is. 

Bijstelling III. Hieruit volgt 3. dat God volstrekt de eerste oorzaak is.

Stelling XVII. God handelt alleen uit de wetten zijner eigene natuur en door niemand gedwongen.

Bewijs. Dat uit de noodzakelijkheid der goddelijke natuur alleen, of (wat hetzelfde is) uit de wetten dezer natuur alleen volstrekt oneindig veel volgt, hebben wij zoo even stell. 16 aangetoond; en in stell. 15 hebben wij bewezen, dat niets zonder God kan zijn noch gedacht worden, maar dat alles in God is. Daarom kan niets buiten hem zijn, waardoor hij tot handelen bepaald of gedwongen wordt; en dus handelt God alleen uit de wetten zijner natuur en door niemand gedwongen.°)  

Bijstelling I. Hieruit volgt 1, dat er behalve de volmaaktheid van Gods natuur geene reden bestaat, welke hem van buiten of van binnen tot handelen zou nopen. 

Bijstelling II. Hieruit volgt 2 dat alleen God eene vrije oorzaak is. Want God alleen bestaat alleen uit de noodzakelijkheid zijner natuur (volgens stell. 11 en bijstelling 1 stell. 14), en handelt alleen uit de noodzakelijkheid zijner natuur (volgens de voorg. stell.). Derhalve is hij alleen (volgens bep. 7) eene vrije oorzaak; w.t.b.w. 

Aanm. Anderen meenen, dat God eene vrije oorzaak is, omdat hij, gelijk zij meenen, kan maken, dat hetgeen wij gezegd hebben dat uit zijne natuur volgt, dat is, wat in zijne magt is, niet geschiedt, of niet door hem wordt voortgebragt.

Doch dit is hetzelfde alsof zij zeiden, dat God maken kan, dat uit de natuur van den driehoek niet volgt, dat zijne drie hoeken gelijk zijn aan twee regte; of dat uit eene gegevene oorzaak het gevolg niet volgt, wat ongerijmd is. Verder zal ik beneden zonder behulp van deze stelling aantoonen, dat tot de natuur van God noch het verstand, noch de wil behoort. Ik weet, dat er verscheidenen zijn, die meenen te kunnen bewijzen, dat tot de natuur van God het hoogste verstand en vrije wil behoort; want zij zeggen niets volmaakters te kennen, hetwelk zij aan God kunnen toeschrijven, dan hetgeen in ons de grootste volmaaktheid is. Verder, ofschoon zij God als werkelijk ten hoogste verstandig denken, gelooven zij toch niet, dat hij alles kan doen geschieden wat hij werkelijk denkt; want zij meenen alzoo Gods magt te vernietigen. Indien hij, zoo zeggen zij, alles geschapen had, wat in zijn verstand is, dan zou hij verder niets meer hebben kunnen scheppen, hetgeen zij gelooven dat met Gods almagt in strijd is; en daarom hebben zij liever willen stellen, dat God voor alles onverschillig is, en niets anders schept dan wat hij met eenen zekeren volstrekten wil besloten heeft te scheppen. Doch ik meen duidelijk genoeg aangetoond te hebben (zie stell. 16), dat uit de opperste magt of oneindige natuur van God oneindig veel op oneindig vele wijzen, dat is alles noodzakelijk is voortgevloeid, of steeds met >>
dezelfde noodzakelijkheid volgt; op dezelfde wijs als uit de natuur des driehoeks van eeuwigheid tot eeuwigheid volgt, dat zijne drie hoeken gelijk zijn aan twee regte. Daarom was Gods almagt van eeuwigheid werkelijk en zal tot in eeuwigheid in dezelfde werkelijkheid blijven. En op deze wijs wordt de almagt Gods, althans naar mijn oordeel, veel volmaakter gesteld. Of liever de tegenstanders schijnen (laat mij duidelijk mogen spreken) de almagt Gods te loochenen. Want zij worden genoodzaakt te bekennen, dat God oneindig veel denkt, dat wel op zich zelf kan geschapen worden, maar dat hij toch nimmer zal kunnen scheppen. Anders toch, namelijk indien hij alles schiep wat hij denkt, zou hij volgens hen zijne almagt uitputten en zichzelven onvolmaakt maken. Om derhalve God volmaakt te kunnen maken, worden zij genoodzaakt tevens te stellen, dat hij niet alles kan uitwerken, waartoe zijne magt zich uitstrekt, en ik zie niet, dat er iets ongerijmders of hetwelk meer met Gods almagt strijdt kan verdicht worden. Verder (om over het verstand en den wil, die wij gemeenlijk aan God toekennen, hier ook iets te zeggen) indien namelijk verstand en wil tot de eeuwige wezenheid Gods behooren, dan moet door beide eigenschappen zeker iets anders verstaan worden dan de menschen gemeenlijk >>
doen. Want verstand en wil, die Gods wezenheid zouden uitmaken, zouden van ons verstand en onzen wil hemelsbreed moeten verschillen, en in niets dan in den naam daarmede kunnen overeenkomen; niet anders namelijk dan het sterrebeeld de hond en de hond, een blaffend beest, overeenkomen. Dit zal ik aldus bewijzen. Indien het verstand tot de goddelijke natuur behoort, dan kan het niet, zooals ons verstand, later (zooals de meesten willen), of te gelijk van nature zijn met de dingen, die er door verstaan worden, daar God door zijne oorzakelijkheid vóór alle dingen is (volg. bijst. 1 stell. 16); maar dan is daarentegen de waarheid en de werkelijke wezenheid der dingen daarom aldus, dewijl zij zoodanig als voorwerp van denken in Gods verstand bestaat. Gods verstand dus, voor zoo ver het gedacht wordt Gods wezenheid uit te drukken, is inderdaad de oorzaak zoowel van de wezenheid als van het bestaan der dingen; hetgeen ook door hen schijnt opgemerkt te wezen, die beweerd hebben, dat het verstand, de wil en de magt van God allen één en hetzelfde zijn. Daar dus het verstand van God de eenige oorzaak der dingen is, namelijk (gelijk wij hebben aangetoond) zoowel van hunne wezenheid als van hun bestaan, zoo moet het >>
noodzakelijk daarvan verschillen zoowel ten opzigte van hunne wezenheid als ten opzigte van hun bestaan. Want het veroorzaakte verschilt van de oorzaak juist in datgene, wat het van de oorzaak heeft. Een mensch b.v. is de oorzaak van het bestaan, doch niet van de wezenheid van een ander mensch (want dit is eene eeuwige waarheid); en daarom kunnen zij volgens de wezenheid geheel overeenkomen, doch moeten in het bestaan verschillen; en dus indien het bestaan van den éénen vergaat, zal daarom dat van den anderen niet vergaan; maar indien de wezenheid van den éénen kon vergaan en valsch worden, dan zou ook die van den anderen vernietigd worden. Iets dus, dat van de wezenheid en het bestaan van eenig uitwerksel de oorzaak is, moet van zulk een uitwerksel zoowel ten opzigte van de wezenheid als ten opzigte van het bestaan verschillen. Het verstand Gods echter is de oorzaak der wezenheid en van het bestaan van ons verstand: dus verschilt het verstand van God, voor zoo verre het gedacht wordt de goddelijke wezenheid daar te stellen, van ons verstand zoowel ten opzigte van de wezenheid als ten opzigte van het bestaan, en kan in niets behalve in den naam daarmede overeenkomen, gelijk wij bedoelden. Ten >>

opzigte van de wil wordt op dezelfde wijs geredeneerd, gelijk ieder gemakkelijk kan inzien. 

Stelling XVIII. God is van alle dingen de innerlijke, niet de uiterlijke oorzaak. 

Bewijs. Alles wat is, is in God en moet door middel van God gedacht worden (volgens stell. 15), en aldus is God (volgens bijstell. 1. stell. 16) de oorzaak der dingen, die in hem zijn; hetgeen het eerste is. Verder kan buiten God geen zelfstandig wezen bestaan (volgens stell. 14) dat is (volgens bep. 3) geen ding, dat buiten God in zich zelf is; hetgeen het tweede was. God is dus de innerlijke en niet de uiterlijke oorzaak van alle dingen; w.t.b.w. 

Stelling XIX. God of al de eigenschappen Gods zijn eeuwig. 

Bewijs. Want God is (volgens bep. 6) een zelfstandig wezen, dat (volgens stell. 11) noodzakelijk bestaat, dat is (volgens stell. 7) tot welks natuur het bestaan behoort, of (wat hetzelfde is) uit welks bepaling volgt, dat het bestaat; en dus (volgens bep. 8) is hij eeuwig. Verder moet door de eigenschappen Gods datgene verstaan worden, wat (volgens bep. 4) de wezenheid van het goddelijke zelfstandige wezen uitdrukt, dat is, wat tot het zelfstandige wezen behoort: juist dit, zeg ik, moeten de eigenschappen zelve insluiten. Tot de natuur van het zelfstandige wezen echter (gelijk ik reeds uit stell. 7 heb bewe- >>

zen) behoort de eeuwigheid; dus moet elke der eigenschappen de eeuwigheid insluiten, en alzoo zijn zij allen eeuwig; w.t.b.w. 

Aanmerking. Deze stelling blijkt ten duidelijkste uit de wijze, waarop ik (stell. 11) het bestaan van God bewezen heb. Uit dat bewijs, zeg ik, blijkt, dat het bestaan van God, evenals zijne wezenheid, eene eeuwige waarheid is. Verder heb ik (Beg. der Wijsb. van Des Cartes. I. XIX) nog op eene andere wijs de eeuwigheid God betoogd, en het is niet noodig dit hier te herhalen. (*) 

Stelling XX. De wezenheid en het bestaan van God zijn hetzelfde.

Bewijs. God (volgens de vorige stell.) en al zijne eigenschappen zijn eeuwig, dat is (volgens bep. 8) elke zijner eigenschappen drukt de eeuwigheid uit. Dezelfde eigenschappen Gods dus, die (volgens bep. 4) de eeuwige wezenheid Gods uitdrukken, drukken tevens zijn eeuwig bestaan uit, dat is: hetzelfde wat de wezenheid Gods uitmaakt, maakt tevens zijn bestaan uit; en dus is dit en zijne wezenheid één en hetzelfde; w.t.b.w. 

Bijstelling I. Hieruit volgt 1, dat het bestaan van God, zoowel als >>

(*) Aldaar wordt betoogd, dat het met Gods volmaaktheid strijden zou, wanneer hij eindig was.°)

zijne wezenheid, eene eeuwige waarheid is. 

Bijstelling II. Hieruit volgt 2, dat God, of alle eigenschappen Gods, onveranderlijk is. Want indien zij ten opzigte van het bestaan veranderd werden, moesten zij ook (volgens de voorgaande stelling) ten opzigte van de wezenheid veranderd worden, dat is (gelijk van zelfs spreekt) van waar valsch worden; en dit is ongerijmd. 

Stelling XXI. Alles, wat uit de volstrekte natuur van eeuwige eigenschap Gods volgt, heeft altijd en oneindig moeten bestaan, of het is door die eigenschap eeuwig en oneindig. 

Bewijs.  Denk, als het kan (indien gij het ontkent), dat iets in eenige eigenschap Gods uit zijne volstrekte natuur volgt, en toch eindig is en een beperkt bestaan of eene beperkte voortduring heeft, b.v. het godsbegrip in het denken. Maar het denken, daar het als eene eigenschap Gods wordt gesteld, is noodzakelijk (volgens stell. 11) uit zijnen aard oneindig. Voor zoover het echter het godsbegrip heeft wordt het verondersteld eindig te wezen. Maar het kan (volgens bep. 2) niet eindig gedacht worden, zoo het niet door het denken zelf bepaald wordt; doch niet door het denken zelf, voor zoo ver het godsbegrip daarstelt (want in zoo >>

verre wordt het veronderstelt eindig te wezen): derhalve door het denken, voor zoo ver dit het godsbegrip niet daarstelt, hetwelk echter (volgens stell. 11) noodzakelijk bestaan moet. Derhalve bestaat er een denken, dat het godsbegrip niet daarstelt, en daarom volgt uit zijne natuur, voor zoo ver het het volstrekte denken is, niet noodzakelijk het godsbegrip (want het wordt gedacht als het godsbegrip daarstellende en niet daarstellende): hetgeen tegen de veronderstelling is. Daarom indien het godsbegrip in het denken, of iets anders (want het is onverschillig, wat men neemt, daar het bewijs algemeen is) in eenige eigenschap Gods uit de noodzakelijkheid der volstrekte natuur van die eigenschap volgt, dan moet dit noodzakelijk oneindig zijn; hetgeen het eerste was.

Verder kan datgene, wat uit de noodzakelijkheid der natuur van eenige eigenschap alzoo volgt geene beperkte voortduring hebben. Want indien gij het ontkent, laat dan verondersteld worden, dat hetgeen uit de noodzakelijkheid der natuur van eenige eigenschap volgt, in eene eigenschap van God gevonden wordt, b.v. het godsbegrip in het denken, en laat men onderstellen, dat dit eens niet bestaan heeft of niet bestaan zal. Daar echter het denken als eene eigenschap Gods gedacht wordt, moet het noodzakelijk en onveranderlijk bestaan (volgens stell. 11 en bijstell. 2. stell. 20). Derhalve zal buiten de grenzen der voortduring van het godsbegrip (want het wordt verondersteld eens >>

niet bestaan te hebben of niet te zullen bestaan) het denken zonder het godsbegrip moeten bestaan; dit is evenwel tegen de veronderstelling; want er wordt verondersteld, dat als het denken gegeven is noodzakelijk het godsbegrip volgt. Derhalve kan het godsbegrip in het denken, of iets, hetwelk noodzakelijk uit de volstrekte natuur van eenige eigenschap Gods volgt, geen beperkte voortduring hebben, maar is door dezelfde eigenschap eeuwig; hetgeen het tweede was. Merk op, dat hetzelfde moet gezegd worden van alles wat in eenige eigenschap Gods uit de volstrekte natuur van God noodzakelijk volgt. 

Stelling XXII. Al wat volgt uit eenige eigenschap Gods, gewijzgd met eene wijziging, welke noodzakelijk en oneindig door haar bestaat, moet ook én noodzakelijk én oneindig bestaan. 

Bewijs. Het bewijs dezer stelling gaat op dezelfde wijs voort als het bewijs der voorgaande stelling.

  Stelling XXIII. Elke wijziging, die noodzakelijk en oneindig bestaat, moest noodzakelijk volgen óf uit de volstrekte natuur van eenige eigenschap Gods; óf uit eenige eigenschap gewijzigd met eene wijziging, welke noodzakelijk en oneindig bestaat. 

Bewijs. Eene wijziging toch is in iets anders, door middel waarvan zij moet gedacht worden (volgens bep 5) dat is (volgens stell. 15) zij is alleen in >>

God en kan alleen door middel van God gedacht worden. Indien dus eene wijziging gedacht wordt noodzakelijk te bestaan en oneindig te zijn, dan moeten beiden noodzakelijk besloten of gedacht worden door middel van eenige eigenschap Gods, voorzoover deze gedacht wordt de oneindigheid en de noodzakelijkheid van het bestaan, of (wat volgens bep. 8 hetzelfde is) de eeuwigheid uit te drukken, dat is (volgens bep. 6 en stell. 19) voor zoo ver zij volstrekt gedacht wordt. Eene wijziging dus, die noodzakelijk en oneindig bestaat, moest uit de volstrekte natuur van eenige eigenschap Gods volgen, en dit wel óf onmiddelijk (waarover stell. 21) óf door middel van eenige wijziging, die uit zijne volstrekte natuur volgt, dat is (volgens de vorige stell.) die én noodzakelijk én oneindig bestaat; w.t.b.w. 

Stelling XXIV. De wezenheid der door God voortgebragte dingen sluit het bestaan niet in. 

Bewijs. Dit blijkt uit bep. 1. Datgene toch, welks natuur (op zich zelve namelijk beschouwd) het bestaan insluit, is de oorzaak van zichzelf en bestaat alleen uit de noodzakelijkheid zijner natuur. 

Bijstelling. Hieruit volgt, dat God niet alleen de oorzaak is, dat de dingen be- >>

ginnen te bestaan, maar ook, dat zij in het bestaan volharden, of (om eene schoolsche spreekwijs te bezigen) dat God de oorzaak is van het zijn der dingen. Want hetzij de dingen bestaan; hetzij zij niet bestaan, zoo dikwijls als wij op hunne wezenheid letten, bevinden wij, dat deze noch het bestaan, noch de voortduring insluit; en daarom kan hunne wezenheid noch van hun bestaan, noch van hunne voortduring de oorzaak zijn, maar alleen God, tot wiens natuur alleen het bestaan behoort (volgens bijstell. 1 stell. 14). 

Stelling XXV. God is niet alleen de bewerkende oorzaak van het bestaan maar ook van de wezenheid der dingen. 

Bewijs. Indien gij het ontkent, dan is God niet de oorzaak; en dus kan (volg.  o.k.w. 4) de wezenheid der dingen zonder God gedacht worden. Dit evenwel is (volgens stell. 15) ongerijmd. Dus is God ook de oorzaak van de wezenheid der dingen; w.t.b.w. 

Aanmerking. Deze stelling volgt duidelijker uit stell. 16. Daaruit toch volgt, dat uit het bestaan der goddelijke natuur zoowel de wezenheid als het bestaan der dingen noodzakelijk moet besloten worden; en, om het met één woord te zeggen, in dien zin, waarin God de oorzaak van zich zelven genoemd wordt, moet hij ook >>

de oorzaak van alle dingen genoemd worden, wat nog duidelijker uit de volgende bijstelling zal blijken. 

Bijstelling. De bijzondere dingen zijn niets dan aandoeningen der eigenschappen Gods, of wijzigingen waardoor de eigenschappen Gods op eene bepaalde wijs worden uitgedrukt. Het bewijs blijkt uit stell. 15. en bep. 5. 

Stelling XXVI. Een ding, dat bepaald is om iets te verrigten, is door God noodzakelijk aldus bepaald; en wat door God niet bepaald is, kan zichzelf niet tot verrigten bepalen. 

Bewijs. Datgene, waardoor de dingen tot het verrigten van iets bepaald genoemd worden, is noodzakelijk iets stelligs (zooals van zelfs spreekt); en dus is God zoowel van zijne wezenheid als van zijn bestaan door de noodzakelijkheid zijner natuur de bewerkende oorzaak (volgens stell. 25 en 16); hetwelk het eerste was. Hieruit volgt ook ten duidelijkste wat ten tweede gesteld wordt. Want indien een ding, dat door God niet bepaald is, zich zelf kon bepalen, dan was het eerste deel dezer stelling valsch; hetgeen ongerijmd is, zooals wij hebben aangetoond. 

Stelling XXVII. Een ding, dat door God bepaald is, om iets te verrigten, >>

kan zichzelf niet onbepaald maken. 

Bewijs. Deze stelling blijkt uit de derde onmiddelijk klaarblijkelijke waarheid. 

Stelling XXVIII. Elk enkelwezen, of elk ding, dat eindig is en een beperkt bestaan heeft, kan niet bestaan noch tot werken bepaald worden, zoo het niet tot bestaan en werken bepaald wordt door eene andere oorzaak, die ook eindig is en een beperkt bestaan heeft: en deze oorzaak kan wederom niet bestaan noch tot werken bepaald worden, zoo zij niet door eene andere, die ook eindig is en een beperkt bestaan heeft, tot bestaan en werken bepaald wordt, en zoo in het oneindige. 

Bewijs. Al wat tot bestaan en werken bepaald is, is door God alzoo bepaald (volgens stell. 26 en bijstell. stell. 24). Maar datgene, wat eindig is en een beperkt bestaan heeft, kan door de volstrekte natuur van eene eigenschap Gods niet voortgebragt zijn; want al wat uit de volstrekte natuur van eenige eigenschap Gods volgt, is oneindig en eeuwig (volgens stell. 21). Derhalve moest het uit God, of uit eene zijner eigenschappen volgen, voor zoo ver deze als op eenigerlei wijs aangedaan beschouwd wordt; want behalve het zelfstandige >>

wezen en de wijzigingen bestaat er niets (volgens o.k.w. 1 en bep. 3 & 5), en wijzigingen zijn (volgens bijstell. stell. 25) niets dan aandoeningen der eigenschappen Gods. Maar uit God of uit eene eigenschap Gods, voor zoo ver deze is aangedaan door eene wijziging, die eeuwig en oneindig is, kan het ook niet gevolgd zijn (volgens stell. 22). Dus moet het gevolgd zijn, of tot bestaan en werken bepaald zijn door God of door eene eigenschap van hem, voor zoo ver deze is aangedaan door eene wijziging, welke eindig is en een beperkt bestaan heeft. Dit was het eerste. Verder moet wederom deze oorzaak of deze wijziging (volgens dezelfde redenering als waarmede wij het eerste deel hiervan reeds bewezen hebben) ook bepaald zijn door eene andere, die ook eindig is en een beperkt bestaan heeft, en wederom deze laatste (om dezelfde reden) door eene andere, en alzoo steeds (om dezelfde reden) tot in het oneindige w.t.b.w. 

Aanmerking. Daar sommige dingen door God onmiddelijk moeten voortgebragt zijn, namelijk die, welke uit zijne volstrekte natuur noodzakelijk volgen, [en andere] °) met behulp van >>

deze eerste, ofschoon zij toch zonder God niet kunnen bestaan noch gedacht worden; zoo volgt hieruit 1, dat God van de onmiddelijk door hem voortgebragte dingen de volstrekt naaste oorzaak is; maar niet in zijne soort, gelijk men zegt. Want de uitwerkselen Gods kunnen zonder hunne oorzaak noch zijn noch gedacht worden (volgens stell. 15 en bijst. stell. 24). Hieruit volgt 2, dat God niet eigenlijk de verwijderde oorzaak der enkele dingen kan genoemd worden, behalve misschien daarom, ten einde ze van die, welke hij onmiddelijk heeft voortgebragt, of liever welke uit zijne volstrekte natuur volgen, te onderscheiden. Want door eene verwijderde oorzaak verstaan wij zulk eene, die met haar uitwerksel geenszins verbonden is. Doch alles wat is, is in God en hangt aldus van God af, dat het zonder hem niet kan zijn noch gedacht worden. 

Stelling XXIX. In het heelal bestaat niets toevalligs, maar alles is door de noodzakelijkheid der goddelijke natuur bepaald, om op zekere wijs te bestaan en te werken. 

Bewijs. Al wat is, is in God (volgens stell. 15). God >>

echter kan geen toevallig ding genoemd worden. Want hij bestaat (volgens stell. 11 noodzakelijk, niet toevallig. De wijzigingen der goddelijke natuur zijn verder uit haar ook noodzakelijk, niet toevallig, gevolgd (volgens stell. 16.); en dat wel voor zoo ver de goddelijke natuur volstrekt (volgens stell. 21) of voor zoo ver zij als op eene bepaalde wijs tot handelen bepaald beschouwd wordt (volgens stell. 27). Verder is God van deze wijzigingen niet slechts de oorzaak, voor zoo ver zij eenvoudig bestaan (volgens bijst. stell. 24.) maar ook (volgens stell. 26) voor zoo ver zij als bepaald om iets te bewerken beschouwd worden. Bijaldien zij door God (volgens dezelfde stell.) niet bepaald zijn, dan is het onmogelijk, niet toevallig, dat zij zich zelve bepalen; en daarentegen (volgens stell. 27) indien zij door God bepaald zijn, dan is het onmogelijk, niet toevallig, dat zij zich zelve onbepaald maken. Derhalve is alles door de noodzakelijkheid der goddelijke natuur bepaald, niet alleen om te bestaan maar ook om op eene bepaalde wijs te bestaan en te werken, en er bestaat niets toevalligs; w.t.b.w. 

Aanmerking. Voordat ik verder ga, wil ik verklaren of liever herinneren, wat wij onder voortbrengende en wat onder voortgebragte natuur verstaan moeten. Want uit het vorige oordeel ik, dit reeds bekend is, dat wij onder voortbrengende natuur datgene verstaan moeten, wat in zichzelf is en door zichzelf gedacht wordt of zoodanige eigenschappen van het zelfstandige wezen, welke de eeuwige en oneindige wezenheid uitdrukken, dat is (vol- >>

gens bijstelling 1. stell. 14 en bijstell. 2 stell. 17) God, voor zoover hij als vrije oorzaak beschouwd wordt. Onder voortgebragte daarentegen versta ik dat alles, wat uit de noodzakelijkheid der natuur Gods of van elke der eigenschappen Gods volgt, dat is, al de wijzigingen der eigenschappen Gods, voor zoo ver zij beschouwd worden als dingen, die in God zijn en die zonder God niet kunnen zijn noch gedacht worden. 

Stelling XXX. Een werkelijk eindig of oneindig verstand moet de eigenschappen en aandoeningen Gods bevatten en anders niets. 

Bewijs. Een waar begrip moet met zijn voorwerp overeenkomen (volgens o.k.w. 6), dat is (gelijk van zelfs spreekt) datgene, wat als voorwerp van het denken in het verstand bevat is, moet noodzakelijk in de werkelijkheid bestaan. In de werkelijkheid bestaat echter (volgens bijstell. 1. stell. 14) slechts één zelfstandig wezen, namelijk God, en geene andere aandoeningen (volgens stell. 15) dan die in God zijn en die (volgens dezelfde stell.) zonder God niet kunnen zijn noch gedacht worden. Dus moet een werkelijk eindig of oneindig verstand de eigenschappen en aandoeningen Gods bevatten en anders niets; w.t.b.w. 

Stelling XXXI. Het werkelijke verstand, hetzij het eindig is of oneindig, zooals ook de wil, de begeerte, de liefde enz. moeten tot de voortgebragte, niet tot de voortbrengende natuur >>

gerekend worden. 

Bewijs. Onder het verstand toch, (gelijk van zelfs spreekt) verstaan wij geenszins het volstrekte denken, maar slechts eene bepaalde wijziging van het denken, welke wijziging van andere, namelijk begeerte, liefde enz. verschilt, en dus (volgens bep. 3) met behulp van het volstrekte denken moet gedacht worden; dat is (volgens stell. 15 en bep. 6) met behulp van eene eigenschap Gods, die de eeuwige en oneindige wezenheid van het denken uitdrukt, zóó moet gedacht worden, dat zij zonder haar niet kan bestaan noch gedacht worden. En daarom (volgens aanm. stell. 29) moet het tot de voortgebragte, niet tot de voortbrengende natuur gerekend worden, evenals de overige wijzigingen van het denken; w.t.b.w. 

Aanmerking. De reden, waarom ik hier van werkelijk verstand spreek, is niet deze, dat ik een slechts naar de mogelijkheid bestaand verstand erken; maar omdat ik alle verwarring wensch te vermijden, heb ik alleen willen spreken van iets, dat wij zeer duidelijk begrijpen, namelijk van het verstand zelf, dat duidelijker dan iets anders door ons begrepen wordt. Want wij kunnen niets begrijpen, dat niet medehelpt, om het verstand beter te leeren kennen.

Stelling XXXII. De wil kan geene vrije maar slechts eene noodzakelijke oorzaak genoemd worden. 

Bewijs. De wil is slechts eene bepaalde wijziging van het denken evenals het verstand; en daarom (volgens stell. 28) kan geene wilsuiting bestaan noch tot werken bepaald worden, tenzij die door eene andere oorzaak bepaald wordt, en deze weder door eene andere, en zoo verder tot in het oneindige. Bijaldien de wil oneindig wordt verondersteld, moet die ook tot bestaan en werken bepaald worden door God, niet voor zoover hij het volstrekt oneindige zelfstandige wezen is, maar voor zoover hij eene eigenschap heeft, die de oneindige en eeuwige wezenheid van het denken uitdrukt (volgens stell. 23). Hoe hij dus wordt opgevat, eindig of oneindig, hij vereischt eene oorzaak, waardoor hij tot bestaan en werken bepaald wordt; en dus (volgens bep. 7.) kan hij geene vrije oorzaak genoemd worden, maar alleen eene noodzakelijke of gedwongene; w.t.b.w. 

Bijstelling I. Hieruit volgt 1, dat God niet uit vrijheid van wil werkt. 

Bijstelling II. Hieruit volgt 2, dat wil >>

en verstand tot Gods natuur in dezelfde verhouding staan als beweging en rust, en in 't algemeen als alle natuurlijke dingen, welke (volgens stell. 29) door God moeten bepaald worden, om op eene zekere wijs te bestaan en te werken. Want de wil heeft evenals al het andere eene oorzaak noodig, waardoor hij bepaald wordt om op eene zekere wijs te bestaan en te werken. En ofschoon uit eenen bepaalden toestand van den wil of het verstand oneindig veel volgt, evenwel kan men daarom niet meer zeggen, dat God uit vrijheid van wil handelt, dan men om datgene wat uit beweging en rust volgt (want ook hieruit volgt oneindig veel) zeggen kan, dat hij uit vrijheid van beweging en rust handelt. De wil behoort dus niet meer tot de natuur van God dan de overige natuurlijke dingen, maar staat daartoe in dezelfde verhouding als beweging en rust en al het overige, hetwelk wij hebben aangetoond, dat uit de noodzakelijkheid der goddelijke natuur volgt, en door haar bepaald wordt, om op eene zekere wijs te bestaan en te werken.

Stelling XXXIII. De dingen konden op geene andere wijs noch in eene andere volgorde door God voortgebragt worden dan zij zijn voortgebragt. 

Bewijs. De dingen toch zijn allen uit de bestaande natuur van God met noodzakelijkheid gevolgd (volg. stell. 16), en door de noodzakelijkheid der natuur van God zijn zij bepaald om op eene zekere wijs te bestaan en te werken (volg. stell. 29). Indien derhalve de dingen van eene andere natuur hadden kunnen zijn, of op eene andere wijs tot werken hadden kunnen bepaald worden, zoodat de volgorde der natuur eene andere was, dan zou dus ook de natuur van God eene andere kunnen zijn, dan zij is; en derhalve (volg. stell. 11.) zou die ook moeten bestaan, en dus zouden er twee of meer goden kunnen bestaan; hetgeen (volg. bijstell. 1 stell. 14) ongerijmd is. Dus konden de dingen op geene andere wijs, noch in eene andere volgorde enz. w.t.b.w. 

Aanmerking I. Daar ik hierdoor ten duidelijkste heb aangetoond, dat er volstrekt niets in de dingen gevonden wordt, waarom zij toevallig moeten genoemd worden, wil ik nu kortelijk uitleggen, wat wij onder toevallig verstaan moeten; maar eerst, wat onder noodzakelijk en onmogelijk. Een ding wordt noodzakelijk genoemd óf met betrekking >>

tot zijne wezenheid óf met betrekking tot zijne oorzaak. Het bestaan toch van een ding volgt óf uit zijne wezenheid en bepaling óf uit de bestaande werkende oorzaak met noodzakelijkheid. Verder wordt ook om deze redenen een ding onmogelijk genoemd; namelijk óf omdat zijne wezenheid of bepaling eene tegenstrijdigheid bevat, óf omdat er geene uitwendige oorzaak is, die tot het voortbrengen van zulk een ding bepaald is. Maar een ding wordt om geene andere reden toevallig genoemd, behalve ten opzigte van het gebrekkige van onze kennis. Want een ding, welks wezenheid wij niet weten dat eene tegenstrijdheid bevat, of waarvan wij goed weten, dat zij geene tegenstrijdigheid bevat, en over welks bestaan wij toch niets stelligs kunnen zeggen, omdat het verband der oorzaken voor ons verborgen is, kan ons nooit noch noodzakelijk noch onmogelijk toeschijnen; en daarom noemen wij het óf toevallig óf mogelijk. 

Aanmerking II Uit het voorgaande volgt duidelijk, dat de dingen met de grootste volmaaktheid door God zijn voortgebragt, daar zij uit de bestaande allervolmaaktste natuur met noodzakelijkheid gevolgd zijn. Dit beschuldigt God van geene onvolkomenheid, daar zijne volmaaktheid ons genoopt heeft dit te beweren. In tegendeel zou uit het tegenovergestelde hiervan duidelijk volgen (gelijk ik zoo even heb aangetoond), dat God >>

niet ten hoogste volmaakt was; namelijk omdat, indien de dingen op eene andere wijs waren voorgebragt, aan God eene andere natuur moest toegekend worden verschillend van die, welke wij door de overweging, dat hij het volmaaktste wezen is, genoodzaakt zijn geworden hem toe te kennen. Ik twijfel evenwel niet, of velen zullen dit gevoelen als ongerijmd verwerpen, en niet genegen zijn om het te overpeinzen; en dit wel om geene andere reden dan omdat zij gewoon zijn aan God eene andere vrijheid toe te kennen geheel verschillend van die, welke door ons (bep. 6) geleerd is, namelijk onafhankelijken wil. Ik twijfel echter niet, of indien zij de zaak wilden overpeinzen en de reeks onzer bewijzen naauwkeurig bij zichzelven overwegen, dan zouden zij eindelijk zoodanig eene vrijheid als zij tegenwoordig aan God toeschrijven, niet alleen als hersenschimmig maar als eenen grooten hinderpaal der wetenschap geheel verwerpen. En het is niet noodig, dat ik, wat in de aanmerking op stell. 17 gezegd is, hier herhaal. Ten hunnen behoeve zal ik echter nog aantoonen, dat, al werd ook toegestemd, dat de wil tot de wezenheid Gods behoort, des niet te min uit zijne volmaaktheid zou volgen, dat de dingen op geene andere wijs en in geene andere >>
volgorde door God hadden kunnen geschapen worden; hetgeen gemakkelijk zal zijn aan de toonen, indien wij eerst beschouwen wat zij zelve toegeven, namelijk dat het alleen van het besluit en den wil van God afhangt, dat elke zaak is wat zij is; want anders ware God niet de oorzaak van alle dingen: verder dat alle besluiten Gods van eeuwigheid door God zelven zijn vastgesteld geweest; want anders zou hij van onvolmaaktheid en weifelmoedigheid beschuldigd worden. Doch daar eens, vóór en na in het eeuwige niet bestaan, volgt hieruit, namelijk uit de volmaaktheid Gods alleen, dat God niets ander besluiten kan noch ooit heeft kunnen besluiten; of dat God vóór zijne besluiten niet geweest is en zonder dezelve niet zijn kan. Maar zij zeggen, dat, al werd verondersteld, dat God eene andere natuur der dingen gemaakt had, of dat hij van eeuwigheid iets anders over de natuur en hare volgorde besloten had, hieruit geene onvolkomenheid in God zou volgen. Doch indien zij dit zeggen, moeten zij tevens toegeven, dat God zijne besluiten kan veranderen. Want indien God aangaande de natuur en haren zamenhang iets anders dan hij besloten heeft besloten had, dat >>
is, iets anders over de natuur gewild en gedacht had, dan zou hij noodzakelijk een ander verstand dan hij heeft en eenen anderen wil dan hij heeft gehad hebben. En indien aan God een ander verstand en een andere wil kan toegeschreven worden zonder eenige verandering van zijne wezenheid en zijne volmaaktheid; welke reden is er dan, waarom hij zijne besluiten over de geschapene dingen niet zou kunnen veranderen en des niettemin even volkomen blijven? Want het is [dan] onverschillig hoe zijn verstand en zijn wil ten aanzien van de geschapene dingen en hunne volgorde met betrekking tot zijne wezenheid en volmaaktheid wordt opgevat. Verder stemmen alle wijsgeren, die ik gezien heb, toe, dat er in God geen verstand naar de mogelijkheid maar alleen naar de werkelijkheid bestaat. Daar echter zijn verstand en zijn wil van zijne wezenheid niet onderscheiden zijn, gelijk eveneens allen toestemmen; zoo volgt hieruit ook, dat, indien God werkelijk een ander verstand en eenen anderen wil gehad had, ook zijn wezenheid noodzakelijk eene andere zijn zou; en bijgevolg (zooals ik in den beginne beredeneerd heb) indien de dingen anders, dan zij tegenwoordig zijn, door God waren voortgebragt, zou Gods verstand en zijn wil, dat is (gelijk wordt toegestemd) zijne wezenheid anders moeten zijn; hetgeen ongerijmd is.  Daar de dingen op geene andere wijs en in geene andere volgorde door God hebben kunnen voortgebragt worden, en uit de groote volmaaktheid Gods volgt, dat dit waar is; zoo kan voorzeker geene gezonde redenering ons overhalen om te gelooven, dat God niet alles wat in zijn verstand is, met dezelfde volmaaktheid, waarmede hij het begrijpt, heeft willen scheppen. Maar zij zullen zeggen, dat in de dingen geene volkomenheid noch onvolkomenheid is, maar dat hetgeen in hen is, waarom zij volkomen of onvolkomen genoemd wordt, slechts van den wil van God afhangt; en God dus, indien hij gewild had, had kunnen maken, dat hetgeen tegenwoordig volmaaktheid is de grootste onvolmaaktheid was, en omgekeerd. Doch wat ware dit anders dan openlijk te verklaren, dat God, die wat hij wil noodzakelijk begrijpt, door zijnen wil kon maken, dat hij de dingen anders begrijpt dan hij ze begrijpt? Hetgeen (gelijk ik daar even heb aangetoond) allerongerijmdst is. Daarom kan ik het bewijs aldus tegen hen omkeeren. „Alles hangt van de magt van God af.” Opdat dus de dingen anders zouden kunnen zijn, moest noodzakelijk ook de wil van God anders wezen: doch de wil van God kan niet anders wezen (gelijk wij zoo even uit de volkomenheid van God ten duidelijkste hebben aangetoond); dus kunnen de dingen ook niet anders wezen. Ik beken, dat deze meening, die alles aan eenen onverschilligen wil van God onderwerpt en leert, dat alles van zijn goeddunken afhangt, minder van de waarheid afwijkt dan dat van hen, die leeren, dat God alles om den wille van het goede verrigt. Want dezen schijnen iets buiten God te stellen, dat niet van God afhangt, waarop God als op een voorbeeld in het werken let, of waarop hij als op een bepaald doel mikt. Dit is voorwaar niets anders dan God van het noodlot afhankelijk te maken, terwijl er niets ongerijmders van God kan gesteld worden, daar wij hebben aangetoond, dat hij de eerste en eeuwige vrije oorzaak is zoowel van de wezenheid >>

als van het bestaan van alle dingen. Dus is er geene reden om in het weerleggen van deze ongerijmdheid tijd te verbruiken. 

Stelling XXXIV. De magt van God is zijne wezenheid zelve. 

Bewijs. Want uit de noodzakelijkheid der wezenheid Gods alleen volgt, dat God de oorzaak van zichzelven is (volgens stell. 11) en (volgens stell. 16 en hare bijstell.) van alle dingen. Dus is de magt van God, waardoor hij zelf en alle dingen bestaan en werken, juist zijne wezenheid. w.t.b.w. 

Stelling. XXXV. Al wat wij inzien dat in de magt van God is, bestaat noodzakelijk. 

Bewijs. Want al wat in Gods magt is, dat moet (volgens de voorgaande stelling) alzoo in zijne wezenheid bevat wezen, dat het daaruit noodzakelijk volgt, en dus bestaat het noodzakelijk; w.t.b.w. 

Stelling XXXVI. Niets bestaat, uit welks natuur geen gevolg voortvloeit. 

Bewijs. Al wat bestaat, drukt de natuur of wezenheid van God op eene zekere en bepaalde wijs uit (volgens bijst. stell. 25), dat is (volgens stell. 34) al wat bestaat, drukt de magt van God, welke de oorzaak is van alle dingen, op een zekere >>
 

en bepaalde wijze uit, en dus (volgens stell. 16) moet daaruit een gevolg voortvloeijen; w.t.b.w. 

Aanhangsel. In het voorgaande heb ik de natuur van God en hare hoedanigheden ontvouwd, namelijk: dat hij noodzakelijk bestaat; dat hij eeuwig is; dat hij alleen uit de noodzakelijkheid zijner natuur bestaat en handelt; dat en hoe hij de vrije oorzaak is van alle dingen; dat alles in God is en zóó van hem afhangt, dat het zonder hem niet kan zijn noch gedacht worden; en eindelijk dat alles door God te voren bepaald is, wel niet door vrijheid van wil en onafhankelijk goedvinden, maar door de volstrekte natuur van God of zijne oneindige magt. Verder heb ik overal, waar de gelegenheid er voor gegeven was, gezorgd de vooroordeelen, die het vatten mijner bewijzen konden beletten, weg te ruimen. Daar er evenwel niet weinig vooroordeelen overblijven, welke ook ten zeerste konden en kunnen beletten, dat de menschen den zamenhang der dingen, zooals ik dien heb uitgelegd, kunnen omhelzen, heb ik het der moeite waar- >>

dig geoordeeld deze hier volgens den toetssteen der rede te onderzoeken. En daar al de vooroordeelen, welke ik hier onderneem aan te wijzen, van dit ééne afhangen, dat namelijk de menschen gemeenlijk onderstellen, dat alle menschelijke dingen evenals zij zelve om een doel handelen; ja, als zeker aannemen, dat God alles naar een zeker doeleinde rigt (want zij zeggen, dat God alles om der wille van den mensch gemaakt heeft, doch den mensch, opdat deze hem zou vereeren): zoo zal ik eerst dit ééne nagaan, namelijk door eerst de oorzaak te zoeken, waarom de meesten in dit vooroordeel berusten en allen van nature zoo genegen zijn om het te omhelzen, verder zal ik de valschheid daarvan aantoonen, en eindelijk, hoe daaruit de vooroordeelen ontstaan zijn van goed en kwaad, verdienste en zonde, lof en berisping, orde en verwarring, schoonheid en leelijkheid, enz. Het is echter hier de plaats niet, om deze dingen uit de natuur van den menschelijken geest af te leiden. Het zal hier genoeg zijn, indien ik dat gene tot grondslag neem, wat allen >>
moeten toestemmen; namelijk dat alle menschen onwetend omtrent de oorzaken der dingen geboren worden, en dat allen de neiging hebben om hun eigen voordeel te zoeken, en hiervan bewust zijn. Hieruit toch volgt vooreerst, dat de menschen meenen, dat zij vrij zijn, daar zij van hunne neigingen en wilsuitingen bewustzijn hebben, en over de oorzaken, waardoor zij tot begeerte en willen gestemd worden, dewijl zij hieromtrent onwetend zijn, zelfs in den droom niet denken. Ten tweede volgt, dat de menschen alles om een doel doen, namelijk om het nut, dat zij begeeren. Hierdoor komt het, dat zij van de gebeurde dingen steeds alleen de eindoorzaken zoeken te weten te komen, en wanneer zij deze gehoord hebben, hierin berusten; namelijk dewijl zij geen reden hebben, om verder te twijfelen. Wanneer zij die nu niet van anderen kunnen hooren, dan blijft hun niets over dan zich in zich zelven te keeren, en over de doeleinden, waardoor zij >>
zelven gewoonlijk tot dergelijke dingen bepaald worden, na te denken; en alzoo beoordeelen zij noodzakelijk volgens hunne eigene gezindheid die van anderen. Daar zij verder in en buiten zich niet weinig hulpmiddelen vinden, die tot het verkrijgen van hun voordeel niet weinig helpen; b.v. oogen om te zien, tanden om te kaauwen, kruiden en dieren om zich mede te voeden, de zon om te verlichten, de zee om visschen te onderhouden enz. zijn zij al wat de natuur oplevert als hulpmiddel tot hun voordeel gaan beschouwen; en omdat zij wisten, dat die hulpmiddelen door hen gevonden, niet vervaardigd waren, hebben zij hieruit aanleiding genomen om te gelooven, dat er iemand anders is, die deze hulpmiddelen ten hunnen behoeve heeft gereed gemaakt. Want nadat zij de dingen als hulpmiddelen waren gaan beschouwen, konden zij niet gelooven, >>
dat deze zich zelven gemaakt hadden; maar moesten zij uit de hulpmiddelen, die zij gewoon zijn voor zich te vervaardigen, het besluit opmaken, dat er één of meer menschelijke vrijheid bezittende opperheeren der natuur bestaan, die alles voor hen bezorgd en ten hunnen behoeve alles ingerigt hadden. En ook de denkwijze dier heeren der natuur, waarvan zij nooit iets gehoord hadden, moesten zij naar de hunne beoordelen; en hierom stelden zij, dat de goden alles ten behoeve der menschen bestuurden, om de menschen aan zich te verbinden en door hen in de hoogste eer gehouden te worden. Hierdoor is het geschied, dat zij ieder met zijn vernuft verschillende wijzen uitdachten, om God te vereeren, opdat God hen boven anderen zou liefhebben, en de geheele natuur ten behoeve van hunne blinde begeerlijkheid en onverzadelijke hebzucht zou besturen. En aldus is dit vooroordeel in bijgeloof veranderd en heeft diepe wortels in de gemoederen geschoten; hetgeen heeft teweeg gebragt, dat ieder met de grootste inspanning de eindoorzaken van alle dingen zocht te begrijpen en te verklaren. Doch toen zij poogden >>aan te toonen, dat de natuur niets voor niet (dat is wat niet nuttig voor de menschen is) verrigtte, schijnen zij niets anders bewezen te hebben dan dat de natuur en de goden even dwaas waren als de menschen. Eilieve! Zie eens, hoe ver het eindelijk gekomen is. Onder zoovele voordeelen der natuur moesten zij niet weinig nadelen vinden, namelijk stormen, aardbevingen, ziekten enz. en dezen stelden zij dat daardoor ontstonden, dewijl de goden vertoornd waren wegens hun door de menschen aangedane beleedigingen of wegens tegen hunne dienst begane overtredingen; en ofschoon de ondervinding dagelijks tegenspraak en met oneindig vele voorbeelden aantoonde, dat voordeelen en nadeelen aan de vromen zoowel als aan de goddeloozen door elkander overkwamen, deden zij daarom geen afstand van hun ingewortelde vooroordeel. Want het was hun gemakkelijker dit onder de andere onbekende dingen, wier gebruik zij niet wisten, te stellen en zóó hunnen tegenwoordigen aangeborene toestand van onwetendheid te behouden dan dat geheele gebouw af te breken en een nieuw >>

uit te denken. Zij stelden daarom als zeker, dat de oordeelen der goden de menschelijken bevatting oneindig overtreffen: hetwelk voorwaar de eenige oorzaak zou geweest zijn, waarom de waarheid voor het menschelijk geslacht in eeuwigheid verborgen moest blijven, indien niet de wiskunde, welk zich niet met doeleinden, maar slechts met de wezenheden en eigenschappen der gedaanten bezig houdt, een ander kenmerk der waarheid aan de menschen getoond had. En behalve de wiskunde kunnen ook andere oorzaken aangewezen worden (welke het overbodig is hier op te noemen); waardoor het kon geschieden, dat de menschen deze algemeen aangenomene vooroordeelen opmerkten en tot de ware kennis der dingen gebragt werden. 

Hiermede heb ik genoegzaam ontvouwd wat ik in de eerste plaats beloofd heb. Om nu verder aan te toonen, dat de natuur geen doeleinde voor zich gesteld heeft, en dat alle eindoorzaken niets dan menschelijke verdichtselen zijn, >>
 

behoef ik niet veel woorden te gebruiken. Want ik geloof, dat dit reeds genoegzaam blijkt zoowel uit de grondslagen en oorzaken, waaruit ik heb aangetoond, dat dit vooroordeel ontstaan is, als uit stelling 16 en de bijstellingen van stelling 32, en daarenboven uit alles, waarmede ik heb aangetoond, dat al wat de natuur behoort met eene eeuwige noodzakelijkheid en met de grootste volkomenheid voortgaat. Dit zal ik er alleen nog bijvoegen, dat deze leer van doeleinden de natuur geheel ten onderste boven keert. Want wat inderdaad oorzaak is beschouwt zij als uitwerksel, en omgekeerd; verder maakt zij wat van natuur het eerste is tot het laatste; en eindelijk maakt zij wat het hoogste en volmaakste is tot het onvolmaakste. Want (om de beide eersten te laten rusten, daar zij op zichzelve klaarblijkelijk zijn) zoo is, gelijk uit stell. 21, 22, 23 blijkt, dat uitwerksel het volmaaktste, hetwelk onmiddelijk door God wordt voortgebragt, en naarmate iets meer >>
tusschenbeide komende oorzaken vereischt om voortgebragt te worden, des te onvolmaakter is het. Doch indien de dingen, welke onmiddelijk door God zijn voortgebragt, daarom gemaakt waren, opdat God zijn doel zou bereiken, dan zouden noodzakelijk de laatsten, ten wier behoeve de eersten gemaakt zijn, de allervolmaakste wezen. Verder heft deze leer de volmaaktheid van God op; want indien God om een doel handelt, dan zoekt hij noodzakelijk iets, waaraan hij behoefte heeft. En al maken de godgeleerden en bovennatuurkundigen onderscheid tusschen een doel van behoefte en een doel van toeeigening, zij bekennen echter, dat God alles om zich zelven, niet om de geschapene dingen, verrigt heeft; dewijl zij vóór de schepping niets buiten God kunnen aanwijzen, waarom God zou handelen; en dus worden zij noodzakelijk gedwongen te bekennen, dat God datgene, waartoe hij hulpmiddelen heeft willen maken, miste en begeerde; gelijk >>
vanzelfs spreekt. En hier moet niet voorbijgegaan worden, dat de aanhangers van deze leer, die bij het aanwijzen van de doeleinden der dingen hun vernuft hebben willen toonen, eene nieuwe wijs van betoogen hebben ingevoerd, namelijk om zich niet op de onmogelijkheid van het tegendeel maar op de onwetendheid te beroepen; hetwelk doet zien, dat er bij deze leer geen andere middenterm der redenering geweest is. Indien toch b.v.een steen van een dak op iemands hoofd gevallen is en hem gedood heeft, dan zullen zij aldus bewijzen, dat die steen gevallen is om dien mensch te dooden; want indien hij niet tot dit doel met Gods wil gevallen was, hoe konden dan zooveel omstandigheden (want dikwijls loopt er veel zamen) bij toeval zamenkomen? Gij zult misschien antwoorden, dat dit gebeurd is, doordien de wind woei en die mensch daarlangs moest gaan. Maar zij zullen aandringen: waarom woei de wind toen? Waarom moest die mensch juist op dien tijd daar langs gaan? Indien gij wederom ant- >>
woordt, dat de wind toen ontstaan is, omdat de zee den vorigen dag, toen het nog stil was, in beweging was gekomen, en omdat die mensch door eenen vriend was uitgenoodigd; dan zullen zij, dewijl er geen einde aan het vragen is, wederom aandringen: waarom kwam de zee in beweging? Waarom werd die mensch tegen dien tijd uitgenoodigd? En zoo zullen zij niet ophouden verder de oorzaken der oorzaken te vragen, totdat gij tot den wil van God, dat is den schuilhoek der onwetendheid uwe toevlugt neemt. Zoo staan zij ook, wanneer zij de inrigting van het menschelijk ligchaam zien, verstomd, en daar zij de oorzaken eener zoo groote kunst niet weten, besluiten zij, dat die niet door eene werktuigelijke maar door eene goddelijke of bovennatuurlijke kunst is voortgebragt, en op zoodanig eene wijs ingerigt, dat het ééne deel het andere niet beschadigt. En hierdoor gebeurt het, dat hij, die de ware oorzaken der wonderen zoekt, en de natuurlijke >>

dingen als een geleerde wil begrijpen niet als een dwaas wil bewonderen, overal voor een ketter en goddelooze gehouden en verklaard wordt door hen, die het gemeen als de tolken der natuur en der goden vereert. Want zij weten, dat als de onwetendheid is opgeheven, de verbazing, dat is het eenige middel om te betoogen en hun gezag te handhaven, hetwelk zij hebben, wordt opgeheven. Doch dit laat ik rusten en ga over tot datgene, wat ik besloten heb hier op de derde plaats te behandelen. 

Nadat de menschen zich overtuigd hadden, dat alles wat geschiedt ten hunnen behoeve geschiedt; moesten zij in elk ding datgene als, het voornaamste beschouwen wat voor hen het nuttigste was, en al die dingen als de voortreffelijkste aanmerken, waardoor zij het meest bevoordeeld werden. Hierdoor moesten zij deze begrippen vormen om de natuur der dingen te verklaren, te weten goed, kwaad, orde, verwarring, warm, koud, schoonheid, leelijkheid enz; en doordien zij zich voor vrij houden, zijn hieruit deze begrippen ontstaan, namelijk lof en berisping, zonde en verdienste. Doch deze zal ik beneden, als ik van de menschelijke na- >>
 

tuur handel, gene daarentegen hier kortelijk ontvouwen. Alles toch, wat de gezondheid en de dienst van God bevordert, noemden zij goed, en wat daarmede strijdig is kwaad. En omdat zij, die de natuur der dingen niet begrijpen, niets van de dingen met zekerheid zeggen, maar ze slechts in hunne verbeelding opnemen en deze voor verstand houden, daarom gelooven zij, onbekend als zij zijn met de natuur der dingen en de hunne, vastelijk, dat er orde in de dingen is. Want wanneer zij zóó geplaatst zijn, dat, wanneer zij ons door de zinnen worden voorgesteld, wij ze ons gemakkelijk kunnen verbeelden en dus ook gemakkelijk herinneren, dan zeggen wij dat zij goed geordend, en in het tegenovergestelde geval, dat zij slecht geordend of verward zijn. En dewijl ons datgene boven het andere aangenaam is, wat wij ons gemakkelijk kunnen verbeelden, verkiezen de menschen orde boven verwarring; evenalsof orde iets in de natuur was buiten betrekking tot onze verbeelding: en zij zeggen, dat God alles met orde geschapen heeft, en alzoo schrij- >>
ven zij zelve onwetend aan God verbeelding toe; tenzij zij misschien bedoelen, dat God ten behoeve van de menschelijke verbeelding alle dingen op die wijze heeft gerangschikt, waarop zij zich die het gemakkelijkst konden verbeelden; en het zal hen misschien niet hinderen, dat er oneindig veel gevonden wordt, wat onze verbeelding verre te boven gaat, en zeer veel, wat haar wegens hare zwakheid in verwarring brengt. Doch genoeg hiervan. De overige denkbeelden zijn vervolgens ook niet anders dan wijzen van zich te verbeelden, waardoor de verbeelding verschillend getroffen wordt, en toch worden zij door onwetenden als de voornaamste eigenschappen der dingen beschouwd; omdat zij, gelijk wij reeds gezegd hebben, gelooven, dat alle dingen ten hunnen behoeve gemaakt zijn, en de natuur van eenig ding goed of kwaad, gezond of verrot en bedorven noemen, naardat zij daardoor getroffen worden. Bij voorbeeld, indien de beweging, welke de zenuwen van de door de oogen voorgestelde dingen ontvangen, voor de gezondheid voordeelig is, worden de voor- >>
werpen, waardoor die wordt te weeg gebragt, schoon genoemd, en die de tegenovergestelde te weeg brengen leelijk. Wat verder door de neusgaten het gevoel beweegt noemen zij welriekend of stinkend, wat dit door de tong doet zoet of bitter, smakelijk of flaauw, enz, wat zulks door den tastzin doet hard of zacht, ruw of glad enz. En verder zegt men, dat hetgeen de ooren beweegt geraas of harmonie te weeg brengt, waar van het laatste de menschen zóó onzinnig heeft gemaakt, dat zij zelfs meenden, dat God door harmonie vermaakt wordt. Ook zijn er wijsgeeren, die zich overtuigd hebben, dat de hemelsche bewegingen harmonie veroorzaken. Dit alles toont genoegzaam, dat ieder naar de gesteldheid zijner hersens over de dingen geoordeeld, of liever de aandoeningen zijner verbeelding voor dingen genomen heeft. Daarom is het niet te verwonderen (om dit ook in het voorbijgaan op te merken), dat onder de menschen zoovele twisten als wij waarnemen ontstaan zijn, en daaruit eindelijk twijfelzucht is voortgekomen. Want ofschoon de menschelijke ligchamen in vele dingen >>
overeenkomen, zij verschillen echter in zeer veel, en daarom schijnt wat den éénen goed voorkomt, den anderen kwaad toe; wat den éénen geordend, den anderen verward; wat den éénen aangenaam is, is den anderen onaangenaam; en zoo ging het ook met het overige, waarvan ik hier zwijg, zoowel omdat het hier de plaats niet is, om hierover opzettelijk te handelen, als omdat allen dit genoegzaam ondervonden hebben. Allen toch hebben in den mond: zoo veel hoofden, zooveel zinnen, ieder heeft zijnen zin, er is niet minder verschil van denkwijze dan van smaak; welke spreekwijzen genoegzaam aantoonen, dat de menschen naar de gesteldheid hunner hersenen over de dingen oordeelen, en ze zich liever verbeelden dan ze te begrijpen. Want indien zij de dingen begrepen hadden, zou die allen, zooals het voorbeeld den wiskundigen leert, indien al niet aanlokken, ten minste overtuigen. Wij zien dus, dat alle redenen, waarmede de menigte de natuur pleegt te verklaren, slechts wijzen van verbeelden zijn, en de natuur van geen ding maar >>
slechts de gesteldheid der verbeelding te kennen geven; en daar zij namen hebben als of zij wezens waren, die buiten de verbeelding bestonden, noem ik ze geen wezens der rede maar der verbeelding; en alzoo kunnen alle betoogen, die tegen ons uit dergelijke begrippen ontleend worden, gemakkelijk worden afgeweerd. Velen toch zijn gewoon aldus te redeneren: indien alles uit de allervolmaakste natuur van God is voortgekomen, waaruit zijn dan zoovele onvolmaaktheden in de natuur ontstaan? Bijvoorbeeld het bederven van dingen tot stinkens toe, leelijkheid van dingen, die walging opwekt, verwarring, kwaad, zonde, enz. Doch, gelijk ik zoo even gezegd heb, zij worden gemakkelijk weerlegd. Want de volmaaktheid der dingen moet alleen naar hunne natuur en magt beoordeeld worden, en de dingen zijn niet daarom meer of minder volmaakt, dewijl zij het gevoel der menschen aangenaam aandoen of kwetsen, dewijl zij voor de menschelijke natuur voordeelig zijn of daartegen strijden. Hun echter, die vragen, >>
waarom God de menschen niet zóó geschapen heeft, dat zij alleen door de leiding der rede bestuurd werden? antwoord ik niets anders, dan: dewijl hij stof genoeg had om alles van den hoogsten tot den laagsten trap van volmaaktheid te scheppen; of, om meer eigenlijk te spreken: dewijl de wetten zijner natuur zoo ruim waren, dat zij volstaan konden, om alles, wat door een oneindig verstand kan gedacht worden, voort te brengen, zooals ik in de 16e stelling betoogd heb. Dit zijn de vooroordeelen, welke ik ondernomen heb hier aan te wijzen. Indien er nog iets van dezen zuurdeesem over is, dan zal het door ieder met eenig nadenken kunnen verbeterd worden.

Zedekunde

 

Tweede deel.

 

Over de natuur en den oorsprong van den geest.

  Voorberigt.

 

Ik ga thans over om datgene te verklaren, wat uit de wezenheid van God of het eeuwige en oneindige wezen noodzakelijk moest volgen: niet alles (want wij hebben deel 1 stell. 16 bewezen, dat daaruit oneindig veel op oneindig vele wijzen volgen moet), maar alleen datgene, wat ons tot de kennis van den menschelijken geest en zijne hoogste zaligheid als bij de hand kan leiden.

  Bepalingen.

 

I. Door ligchaam versta ik eene wijziging, die de wezenheid Gods, voorzoover hij als uitgebreid beschouwd wordt, op eene zekere en bepaalde wijs uitdrukt. Zie deel 1. stell. 25. bijstell. >>

II. Tot de wezenheid van een ding zeg ik dat datgene behoort, door welks bestaan het ding noodzakelijk gesteld en door welks vergaan het ding noodzakelijk opgeheven wordt; of datgene, zonder hetwelk het ding en dat omgekeerd zonder het ding niet kan bestaan noch gedacht worden.

  III. Door denkbeeld versta ik een begrip van den geest, welke de geest vormt, omdat hij denkend is.

  Opheldering. Ik zeg liever begrip dan waarneming, dewijl het woord waarneming schijnt aan te duiden, dat de geest door het voorwerp wordt aangedaan. Begrip daarentegen schijnt eene handeling van den geest uit te drukken. 

IV. Door een volledig denkbeeld bedoel ik een denkbeeld, dat, voor zoo verre als het op zich zelf, zonder betrekking op een voorwerp beschouwd wordt, alle eigenschappen of innerlijke kenmerken heeft van een waar denkbeeld. 

Opheldering. Ik zeg innerlijke, om dat buiten te sluiten, wat uiterlijk is, namelijk de overeenkomst van het denkbeeld met het gedachte voorwerp. 

V. Voortduring is onbepaalde verlenging van het bestaan. 

Opheldering. Ik zeg onbepaalde, omdat door haar de natuur van het bestaande >>

ding volstrekt niet kan bepaald worden, en evenmin door de bewerkende oorzaak, welke namelijk het bestaan van een ding noodzakelijk stelt, maar niet opheft. 

VI. Door werkelijkheid en volmaaktheid versta ik hetzelfde. 

VII. Door enkele dingen versta ik dingen die eindig zijn en een bepaald bestaan hebben. Bijaldien verscheidene enkele dingen in ééne handeling zóó zamenkomen, dat zij allen te zamen de oorzaak zijn van één uitwerksel, dan beschouw ik die allen in zoo verre als één enkel ding.

Onmiddelijk klaarblijkelijke waarheden. 

  I. De wezenheid van een mensch sluit geen noodzakelijk bestaan in, dat is, volgens den zamenhang der natuur kan het even goed geschieden, dat deze of die mensch bestaat als dat hij niet bestaat. 

II. De mensch denkt. 

III. De wijzigingen van het denken, als de liefde, de begeerte, of wat meer met den naam van gemoedsaandoening wordt aangeduid, bestaan niet tenzij in denzelfden persoon een denkbeeld bestaat van hetgeen bemind of >>
 

begeerd wordt, enz. Maar een denkbeeld kan bestaan, al bestaat er geene andere wijziging van het denken. 

IV. Wij gevoelen dat een ligchaam op velerlei wijze wordt aangedaan. 

V. Geene andere enkele dingen worden door ons gevoeld noch waargenomen behalve ligchamen en wijzigingen van het denken.

Zie de Vereischten na stelling 13.

Stellingen. 

  Stelling I Het denken is eene eigenschap Gods, of God is denkend. 

Bewijs. De enkele gedachten, of deze en die gedachte, zijn wijzigingen, die de natuur van God op eene zekere en bepaalde wijs uitdrukken (volgens bijst. stell. 25. deel 1). Dus komt aan God (volgens bep. 5. deel 1.) eene eigenschap toe, welker begrip alle enkele gedachten insluiten, en met behulp waarvan zij ook gedacht worden. Dus is het denken één van de oneindige eigenschappen Gods, die de eeuwige en oneindige wezenheid Gods uitdrukt (zie bep. 6. deel 1) of God is denkend; w.t.b.w. 

Aanmerking. Deze stelling blijkt ook daaruit, dat wij een oneindig denkend >>
 

wezen kunnen denken. Want naar mate een denkend wezen meer kan denken, des te meer werkelijkheid of volmaaktheid denken wij dat het bevat. Een wezen dus, dat oneindig veel op oneindig vele wijzen kan denken, is noodzakelijk oneindig in denkenskracht. Daar wij dus door alleen op het denken te letten een oneindig wezen kunnen denken, is noodzakelijk (volgens bep. 4 en 6 deel 1) het denken één uit de oneindige eigenschappen Gods, zooals wij bedoelden. 

Stelling II. De uitgebreidheid is eene eigenschap Gods, of God is uitgebreid. 

Bewijs. Dit gaat op dezelfde wijs voort als het bewijs der vorige stelling. 

Stelling III. In God bestaat noodzakelijk een denkbeeld zoowel van zijne wezenheid, als van alles, wat uit zijne wezenheid noodzakelijk volgt. 

Bewijs. Want God kan (volgens stell. 1 van dit deel) oneindig veel op oneindig vele wijzen denken, of (wat hetzelfde is volgens stell. 16. deel 1.) een denkbeeld vormen van zijne wezenheid en van alles, wat daaruit noodzakelijk volgt. Alles evenwel wat in de magt Gods is, bestaat noodzakelijk. (volgens stell. 35 deel 1) Dus bestaat er noodzakelijk >>

zulk een denkbeeld, en wel (volgens stell. 15 deel 1) niet dan in God; w.t.b.w. 

Aanmerking. De menigte verstaat onder de magt van God Gods vrijen wil en zijn regt op alles wat bestaat, hetwelk daarom gemeenlijk als toevallig beschouwd wordt. Want zij zeggen, dat God de magt heeft om alles te verdelgen en tot niets te doen wederkeeren. Verder vergelijken zij de magt van God dikwijls met de magt der koningen. Doch dit hebben wij in bijst. 1 en 2. stell. 32 deel 1. wederlegd; en stell. 16 deel. 1 hebben wij aangetoond, dat God met dezelfde noodzakelijkheid werkt, waarmede hij zichzelven begrijpt, dat is, gelijk uit de noodzakelijkheid der goddelijke natuur volgt (zooals allen eenstemming leeren), dat God zichzelven begrijpt, zoo volgt ook met dezelfde noodzakelijkheid, dat God oneindig vele dingen op oneindig vele wijzen verrigt. Verder hebben wij stell. 34 deel 1 aangetoond, dat Gods magt niets is dan Gods werkzame wezenheid; en daarom is het voor ons even onmogelijk te denken, dat God niet werkt als dat hij niet bestaat. Indien het mij lustte dit verder te vervolgen, zou ik hier nog kunnen aantoo- >>

nen, dat die magt, welke de menigte aan God toedicht, niet alleen menschelijk is (hetgeen toont, dat God als een mensch of menschelijk door de menigte wordt opgevat), maar ook onmagt insluit. Doch ik wil niet zoo dikwijls over dezelfde zaak spreken. Ik verzoek alleen den lezer met aandrang, om wat in het eerste deel van stell. 16 tot het einde hierover gezegd is, herhaalde keeren te overwegen. Want niemand zal wat ik bedoel goed kunnen vatten, zoo hij niet zeer oppast, dat hij de magt van God niet met de menschelijke magt der koningen of hun regt verwart. 

Stelling IV. Er kan slechts één denkbeeld van God bestaan, waaruit oneindig veel op oneindig veel wijzen volgt. 

Bewijs. Een oneindig verstand vat niets behalve de eigenschappen Gods en zijne aandoeningen (volg. stell. 30 deel 1). God is echter één (volg. bijstell. 1. stell. 14. deel 1). Dus kan er slechts één denkbeeld van God bestaan, waaruit oneindig veel op oneindig vele wijzen volgt. w.t.b.w. 

Stelling V. Het werkelijke bestaan der denkbeelden heeft God tot oorzaak voor >>
 

zoover hij alleen als denkend beschouwd wordt, en niet voor zoover hij zich in eene andere eigenschap openbaart; dat is zoo wel de denkbeelden der eigenschappen Gods als die van de enkele dingen hebben niet de gedachte voorwerpen of waargenomen dingen zelve tot voorwerp, maar God zelven, voor zoo ver hij denkend is. 

Bewijs. Dit blijkt uit stell. 3 van dit deel. Aldaar toch werd beredeneerd, dat God een denkbeeld van zijne wezenheid en van alles wat daaruit noodzakelijk volgt alleen daardoor, dat hij denkend is kan vormen, en niet daardoor, dat hij het voorwerp van zijn denkbeeld is. Daarom heeft het werkelijke bestaan der denkbeelden God tot oorzaak, voorzoover als hij denkend is. Doch dit wordt anders aldus bewezen. Het werkelijke bestaan der denkbeelden is eene wijziging van het denken (zooals van zelfs spreekt), dat is (volgens bijstell. stell. 25 deel 1.) eene wijziging, die de natuur van God, voor zoover als hij denkend is, op eene bepaalde wijs uitdrukt, en daarom sluit dit (volgens stell. 10 deel 1.) het begrip van geene andere eigenschap Gods in, en bij gevolg (volgens o.k.w. 4 deel 1.) is dit het uitwerksel van geene andere eigenschap dan van het denken. Dus heeft het >>

werkelijke bestaan der denkbeelden God, voor zoover als hij slechts als denkend beschouwd wordt, enz. w.t.b.w. 

Stelling VI De wijzigingen van elke eigenschap hebben God tot oorzaak, voor zoo ver als hij alleen onder die eigenschap, waarvan zij wijzigingen zijn, en niet voorzoover als hij onder eenige andere beschouwd wordt. 

Bewijs. Iedere eigenschap toch wordt op zichzelve zonder eene andere gedacht (volgens stell. 10 deel 1). Daarom sluiten de wijzigingen van elke eigenschap het begrip van hunne eigenschap, niet dat eener andere in; en daarom hebben zij (volgens o.k.w. 4 deel 1) God, voor zoo ver als hij alleen onder die eigenschap, waarvan zij wijzigingen zijn, en niet voor zoo ver als hij onder eenige andere beschouwd wordt, tot oorzaak; w.t.b.w. 

Bijstelling. Hieruit volgt, dat het werkelijke bestaan van dingen, welke geene wijziging van het denken zijn, niet daarom uit de goddelijke natuur volgt, dewijl God de dingen eerst gekend heeft; maar op dezelfde wijs en met dezelfde noodzakelijkheid volgen de gedachte dingen uit hunne eigenschapen en worden daaruit afgeleid, als wij hebben aangetoond, dat de denkbeelden uit de eigenschap van het denken volgen.

Stelling VII. De volgorde en zamenhang der denkbeelden is dezelfde als de volgorde en de zamenhang der dingen. 

Bewijs. Dit blijkt uit o.k.w. 4 deel 1. Want het denkbeeld van elk veroorzaakt ding hangt af van de kennis der oorzaak, waarvan het een uitwerksel is. 

Bijstelling. Hieruit volgt, dat de denkensmagt van God gelijk is aan zijne werkelijke werkensmagt; dat is, alwat uit de oneindige natuur van God werkelijk volgt, dat alles volgt uit het denkbeeld van God in dezelfde volgorde en denzelfden zamenhang in God denkbeeldig. 

Aanmerking. Hier moet, voordat wij verder gaan, herinnerd worden wat wij boven hebben aangetoond; namelijk dat alles wat door een oneindig verstand als de wezenheid van het zelfstandige wezen uitdrukkend kan gedacht worden, slechts tot één zelfstandig wezen behoort, en dat dus het denkende en het uitgebreide zelfstandige wezen één en hetzelfde zelfstandige wezen is, hetwelk dán onder deze dán onder die eigenschap wordt opgevat. Alzoo is ook eene wijziging der uitgebreidheid en het denkbeeld dier wijziging één en hetzelfde ding, maar op twee wijzen uitgedrukt; hetgeen sommigen der Hebréën als door eenen nevel schijnen gezien te hebben, die namelijk stellen, dat God, het verstand van God en de door hem begrepene dingen één en hetzelfde zijn. Bij >>
 

voorbeeld een cirkel, die in de natuur bestaat, en het denkbeeld van eenen bestaanden cirkel, dat ook in God is, is één en hetzelfde ding, dat door verschillende eigenschappen wordt uitgedrukt. En daarom, hetzij wij de natuur onder de eigenschap der uitgebreidheid, hetzij onder die van het denken, hetzij onder welke andere ook denken, wij zullen ééne en dezelfde volgorde of éénen en denzelfden zamenhang van oorzaken, dat is: dat dezelfde dingen op elkander volgen, bevinden. En ik heb om geene andere reden gezegd, dat God de oorzaak van het denkbeeld b.v. van eenen cirkel is voor zoover hij slechts denkend is, en van eenen cirkel voor zoover hij slechts uitgebreid is, behalve omdat het werkelijke bestaan van het denkbeeld van eenen cirkel slechts door eene andere wijziging van het denken, als zijne naaste oorzaak en deze wederom door eene andere, en zoo in het oneindige, kan gedacht worden, zoodat, zoolang als de dingen als wijzigingen van het denken beschouwd worden, wij de volgorde der geheele natuur of den zamenhang der oorzaken door de eigenschap van het denken alleen moeten verklaren; en voor zoover zij als wijzigingen der uitgebreidheid beschouwd worden, ook de volgorde der geheele natuur door de eigenschap der uitgebreidheid alleen moet verklaard worden, en hetzelfde bedoel ik van de andere eigenschappen. Daarom is God van de dingen, zooals zij in der daad >>

zijn, waarlijk de oorzaak voor zoo ver als hij uit oneindig vele eigenschappen bestaat; en op het oogenblik kan ik dit niet duidelijker ontvouwen. 

Stelling VIII. De denkbeelden der enkele dingen of wijzigingen, welke niet bestaan, moeten alzoo in het oneindige denkbeeld van God bevat worden. 

Bewijs. Deze stelling blijkt uit de voorgaande aanmerking. 

Bijstelling. Hieruit volgt dat, zoolang als de enkele dingen niet bestaan, behalve voor zoover als zij in de eigenschappen Gods bevat zijn, hun gedacht bestaan of hunne denkbeelden niet bestaan, dan voor zoover als het oneindige denkbeeld van God bestaat; en dat wanneer men zegt, dat de enkele dingen bestaan, niet alleen voor zoover als zij in de eigenschappen Gods bevat zijn, maar voor zoover als men ook zegt, dat zij voortdurend, hunne denkbeelden ook het bestaan, waardoor men zegt, dat zij voortduren, zullen insluiten. 

Aanmerking. Indien iemand tot volledige opheldering hiervan een voorbeeld verlangt, zal ik er wel geen kunnen geven, dat de zaak, waarover ik hier spreek, als zijnde deze eenig in hare soort, volledig verklaart, maar toch zal ik trachten haar zooveel als mogelijk is op te helderen. Een cirkel name- >>

lijk is van zulk eene natuur, dat de regthoeken gevormd door de deelen van alle koorden, die in hem elkander snijden, onderling gelijk zijn. In eenen cirkel zijn dus oneindig vele onderling gelijke regthoeken begrepen. Geen daarvan evenwel kan men zeggen dat bestaat, behalve voor zoover de cirkel bestaat, en ook kan het denkbeeld van geen dezer regthoeken gezegd worden te bestaan, behalve voor zoo ver het in het denkbeeld van den cirkel bevat is. Nu denke men, dat er uit die oneindige menigte maar twee, namelijk D en E werkelijk bestaan. Hunne denkbeelden bestaan nu niet alleen voor zoover zij alleen in het denkbeeld van den cirkel bevat zijn; maar ook voor zoover als zij het bestaan dier regthoeken insluiten, waardoor het gebeurt, dat zij van de overige denkbeelden der overige regthoeken onderscheiden worden.  p089afb.jpg   

Stelling IX. Het denkbeeld van een enkel ding, dat werkelijk bestaat, heeft God tot oorzaak, niet voor zoo ver als hij oneindig is, maar voor zoover als hij als door het denkbeeld van een ander enkel, werkelijk bestaand ding aangedaan beschouwd wordt, en hiervan is God ook de >>
 

oorzaak, voorzoover als hij door een derde denkbeeld aangedaan is, en alzoo in het oneindige. 

Bewijs. Het denkbeeld van een enkel werkelijk bestaand ding is eene enkele wijziging van het denken en van de overige onderscheiden (volgens bijstell. en aanm. stell 8 van dit deel); en daarom (volgens stell. 6 van dit deel) heeft het God, voor zoo ver als hij slechts denkend is, tot oorzaak. Doch niet (volgens stell. 28 deel 1) voor zoover hij volstrekt denkend is, maar voor zoover hij als door eene andere wijziging van het denken aangedaan beschouwd wordt, en hiervan ook voor zoover als hij door een ander aangedaan is, en zóó in het oneindige. De volgorde en zamenhang der denkbeelden (volgens stell. 7 van dit deel) is echter dezelfde als de volgorde en de zamenhang der oorzaken. Dus is van ieder enkel denkbeeld een ander denkbeeld of God, voorzoover hij als door een ander denkbeeld aangedaan beschouwd wordt, de oorzaak, en hiervan ook, voorzoover hij door een ander is aangedaan, en zoo in het oneindige; w.t.b.w. 

Bijstelling. Al wat in het enkele voorwerp van elk denkbeeld voorvalt, daarvan bestaat in God kennis, voorzoover als hij slechts het denkbeeld van dat voorwerp heeft. 

Bewijs. Al wat in het voorwerp van elk >>
 

denkbeeld voorvalt, daarvan bestaat een denkbeeld in God (volgens stell. 3 van dit deel) niet voorzoover hij oneindig is, maar voorzoover hij als door het denkbeeld van een ander enkel ding aangedaan beschouwd wordt (volgens de vorige stell.), maar (volgens stell. 7 van dit deel) de volgorde en de zamenhang der denkbeelden is dezelfde als de volgorde en de zamenhang der dingen. Dus zal de kennis van datgene, wat in eenig enkel voorwerp voorvalt, in God zijn, voorzoover hij alleen het denkbeeld van datzelfde voorwerp heeft; w.t.b.w. 

Stelling X. Tot de wezenheid van den mensch behoort geenszins, het zijn van het zelfstandige wezen, of het zelfstandige wezen stelt de werkelijkheid van den mensch niet. 

Bewijs. Het zijn toch van het zelfstandige wezen sluit noodzakelijk bestaan in (volgens stell. 7. deel 1). Indien dus het zijn van het zelfstandige wezen tot de wezenheid van den mensch behoort, dan zou nu het zelfstandige wezen bestaat ook noodzakelijk de mensch bestaan (volgens bep. 2 van dit deel), en bij gevolg zou de mensch noodzakelijk bestaan, hetgeen (volgens o.k.w. 1 van dit deel) ongerijmd is. Derhalve enz; w.t.b.w.

Aanmerking I. Ook deze stelling wordt bewezen uit stell. 5 deel 1, namelijk, dat er geen twee zelfstandige wezens van dezelfde natuur bestaan. Daar er echter meer menschen kunnen bestaan, is derhalve datgene, wat de werkelijkheid van den mensch stelt, niet het zijn van het zelfstandige wezen. Deze stelling blijkt daarenboven uit de overige eigenschappen van het zelfstandige wezen, namelijk, dat het zelfstandige wezen uit zijnen aard oneindig, onveranderlijk, ondeelbaar is enz., zoo als ieder gemakkelijk zien kan. 

Bijstelling. Hieruit volgt, dat de wezenheid van den mensch wordt gesteld door zekere wijzigingen der eigenschappen Gods. Want het bestaan van het zelfstandige wezen behoort (volgens de vorige stell.) niet tot de wezenheid van den mensch. Hij is dus (volgens stell. 15 deel 1) iets dat in God is, en dat zonder God niet kan bestaan noch gedacht worden, of (volgens bijst. stell. 25 deel 1) eene aandoening of wijziging, welke de natuur Gods op eene zekere en bepaalde wijs uitdrukt. 

Aanmerking II. Allen moeten zeker bekennen, dat niets zonder God kan bestaan noch gedacht worden. Want bij allen is het uitgemaakt, dat God van alle dingen, zoowel van hunne wezenheid als van hun bestaan, de eenige oorzaak is, dat is, God is niet alleen de oorzaak der dingen voor zoover hun worden maar ook voor zoo- >>

ver hun bestaan aangaat. De meesten ondertusschen zeggen, dat datgene tot de wezenheid van eenig ding behoort, zonder hetwelk dat ding niet kan bestaan noch gedacht worden; en dus gelooven zij óf dat de natuur van God tot de wezenheid der geschapene dingen behoort, óf dat de geschapene dingen zonder God kunnen bestaan of gedacht worden, óf, wat het zekerste is, zij spreken zichzelven tegen. De oorzaak hiervan is, geloof ik, dat zij in het wijsgerig redeneren geene geregelde volgorde in het oog gehouden hebben. Want de goddelijke natuur, die zij vóór alles moesten beschouwen, dewijl deze zoowel door den zamenhang der denkbeelden als door haren aard in de volgorde der kennis het eerste is, hebben zij voor het laatste en de dingen, die de voorwerpen der zinnen genoemd worden, voor eerder dan al het overige gehouden. Hierdoor is het geschied, dat terwijl zij de natuurlijke dingen beschouwden, zij over niets minder dachten dan over de goddelijke natuur, en toen zij naderhand hunnen geest op het beschouwen der goddelijke natuur gezet hadden, over niets minder konden denken dan over hunne eerste verzinsels, op welke zij de kennis der natuurlijke dingen gebouwd hadden, daar deze tot de kennis der goddelijke natuur niets konden helpen; en alzoo is het geen wonder, dat zij zich telkens hebben tegengesproken. Doch dit laat ik rusten. Want het was >>

hier slechts mijn voornemen de reden op te geven, waarom ik niet gezegd heb, dat datgene tot de wezenheid van een ding behoorde, zonder hetwelk dat ding niet kan bestaan noch gedacht worden, namelijk, omdat de enkele dingen niet zonder God kunnen bestaan noch gedacht worden; en toch God niet tot hunne wezenheid behoort: maar datgene heb ik gezegd, dat noodzakelijk de wezenheid van eenig ding uitmaakt, door welks bestaan het ding wordt gesteld en door welks vernietiging het ding wordt opgeheven, of datgene, zonder hetwelk het ding, en hetwelk desgelijks zonder het ding niet kan bestaan noch gedacht worden. Zie bep. 2. 

Stelling XI. Het eerste, dat het werkelijke bestaan van den menschelijken geest daarstelt, is niets anders, dan het denkbeeld van eenig enkel, werkelijk bestaand ding. 

Bewijs. De wezenheid van den mensch (volgens de bijstell. der vorige stell.) wordt door bepaalde wijzigingen der eigenschappen Gods daargesteld; namelijk (volgens o.k.w. 2 van dit deel) door wijzigingen van het denken, die alleen (volgens o.k.w. 3 van dit deel) door een denkbeeld uit zijnen aard worden voorafgegaan, en als dit gegeven is, moeten de overige wijzigingen (namelijk die, aan welke dat denkbeeld uit zijnen aard voorafgaat) in hetzelfde enkele wezen bestaan (volgens o.k.w. 4 van dit deel). Dus is dan een denkbeeld het eerste, dat het zijn van den mensche- >>

lijken geest daarstelt. Maar geen denkbeeld van een niet bestaand ding; want in dit geval kan (volgens bijstell. stell. 8 van dit deel) het denkbeeld zelf niet gezegd worden te bestaan. Dus zal het een denkbeeld zijn van een ding, dat werkelijk bestaat. Maar niet van een oneindig ding. Een oneindig ding toch moet (volg. stell. 21 en 23 deel 1) steeds noodzakelijk bestaan. Dit is evenwel (volgens o.k.w. 1 van dit deel) ongerijmd. Dus is het eerste, dat het werkelijke bestaan van den menschelijken geest daarstelt, het denkbeeld van een enkel werkelijk bestaand ding; w.t.b.w. 

Bijstelling. Hieruit volgt, dat de menschelijke geest een deel is van het oneindige verstand van God. Wanneer wij dus zeggen, dat de menschelijke geest dit of dat waarneemt, dan zeggen wij niets anders, dan dat God, niet voor zoo ver hij oneindig is, maar voor zoover hij zich door de natuur van den menschelijken geest openbaart, of voorzoover hij de wezenheid van den menschelijken geest daarstelt, dit of dat denkbeeld heeft; en wanneer wij zeggen, dat God dit of dat denkbeeld heeft, niet alleen voor zoover hij de natuur van den menschelijken geest daarstelt, maar voorzoover hij te gelijk met den menschelijken geest ook het denkbeeld van een ander ding heeft, dan zeggen wij, dat de menschelijke geest dat ding gedeeltelijk of onvolledig waarneemt. 

Aanmerking. Hier zullen de lezers onge- >>

twijfeld zwarigheid hebben, en veel bedenken, dat oponthoud veroorzaakt, en daarom verzoek ik hen, dat zij langzaam met mij voortgaan, en hierover niet oordeelen totdat zij alles hebben doorgelezen. 

Stelling XII. Al wat in het voorwerp van het denkbeeld, dat den menschelijken geest daarstelt, geschiedt, moet door den menschelijken geest waargenomen worden, of daarvan zal in den menschelijken geest noodzakelijk een denkbeeld bestaan: dat is, indien het voorwerp van het denkbeeld dat den menschelijken geest daarstelt, een ligchaam is, dan zal er niets in dat ligchaam kunnen gebeuren, dat door den geest niet wordt waargenomen. 

Bewijs. Want al wat in het voorwerp van eenig denkbeeld geschiedt, daarvan bestaat noodzakelijk in God kennis (volgens bijstell. stell. 9 van dit deel), voor zoover hij als door het denkbeeld van datzelfde voorwerp aangedaan beschouwd wordt, dat is (volgens stell. 11 van dit deel), voor zoover hij den geest van eenig ding daarstelt. Al wat derhalve in het voorwerp van het denkbeeld, dat den menschelijken geest daarstelt, gebeurt, daarvan bestaat noodzakelijk in God kennis, voorzoover hij de natuur van den menschelijken geest daarstelt, dat is (volgens bijstell. stell. 11 van dit deel) de kennis van dat ding zal noodzakelijk in den geest zijn, of de geest neemt dit waar; w.t.b.w. 

Aanmerking. Deze stelling blijkt ook en >>

wordt duidelijker begrepen uit de aanm. stell. 7 van dit deel, die moet nagezien worden. 

Stelling XIII. Het voorwerp van het denkbeeld, dat den menschelijken geest daarstelt, is een ligchaam, of eene bepaalde wijziging der uitgebreidheid, die werkelijk bestaat, en anders niets. 

Bewijs. Want indien het ligchaam niet het voorwerp van den menschelijken geest was, dan waren de denkbeelden van de aandoeningen des ligchaams niet in  God (volgens bijstell. stell. 9 van dit deel), voorzoover hij onzen geest, maar voorzoover hij de geest van een ander ding daarstelde, dat is (volgens bijst. 11 van dit deel) de denkbeelden der aandoeningen van ons ligchaam waren niet in onze geest. Wij hebben echter (volgens o.k.w. 4 van dit deel) denkbeelden van aandoeningen des ligchaams. Dus is het voorwerp van het denkbeeld, dat den menschelijken geest daarstelt, een ligchaam, en wel een dat (volgens stell. 11 van dit deel) werkelijk bestaat. Verder indien er behalve dit ligchaam nog een ander voorwerp  van den geest was, terwijl er (volgens stell. 36 deel 1) niets bestaat, waaruit geen gevolg voortvloeit, dan zou (volgens stell. 11 van dit deel) noodzakelijk het denkbeeld van eenig uitwerksel daarvan in onzen geest moeten gevonden worden. Er bestaat echter (volgens o.k.w. 5 >>
 

van dit deel) geen denkbeeld daarvan. Dus is het voorwerp van onzen geest een bestaand ligchaam, en anders niets; w.t.b.w. 

Bijstelling. Hieruit volgt, dat de mensch uit geest en ligchaam is zamengesteld, en dat het menschelijke ligchaam, zooals wij het voelen, bestaat. 

Aanmerking. Hierdoor begrijpen wij niet alleen, dat de menschelijke geest met het ligchaam verbonden is, maar ook wat onder de vereeniging van geest en ligchaam moet verstaan worden. Niemand echter zal haar volledig of duidelijk kunnen begrijpen, tenzij hij eerst de natuur van ons ligchaam volledig leere kennen. Want datgene, wat wij tot nog toe hebben aangetoond, is zeer algemeen, en heeft niet meer betrekking op de menschen dan op de andere enkele wezens, die allen, ofschoon in verschillende trappen, bezield zijn. Want van elk ding bestaat noodzakelijk een denkbeeld in God, waarvan God de oorzaak is, evenals het denkbeeld van het menschelijk ligchaam: en daarom al wat wij van het denkbeeld van het menschelijke ligchaam gezegd hebben, moet noodzakelijk van het denkbeeld van elk ding gezegd worden. Wij kunnen echter ook niet ontkennen, dat de denkbeelden >>

onderling als de voorwerpen zelve verschillen, en dat het ééne voortreffelijker is dan het andere, en meer werkelijkheid bevat, naarmate het voorwerp van het ééne voortreffelijker is dan het voorwerp van het andere en meer werkelijkheid bevat; en daarom is het, ten einde te bepalen, waarin de geest des menschen van de andere verschilt, voor ons noodig, de natuur van zijn voorwerp, gelijk wij gezegd hebben, dat is van het menschelijk ligchaam, te leeren kennen. Deze kan ik echter hier niet verklaren en het is ook voor hetgeen ik bewijzen wil niet noodig. Dit zeg ik slechts in het algemeen, dat naarmate eenig ligchaam meer dan de overige geschikt is om verscheidene dingen te gelijk te doen of te ondergaan, zijn geest geschikter is om veel te gelijk waar te nemen; en naarmate de verrigtingen van een ligchaam meer daarvan alleen afhangen, en naarmate andere ligchamen minder daarmede in het handelen zamenkomen, zijn geest geschikter is om duidelijk te begrijpen. En hieruit kunnen wij de voortreffelijkheid van eenen geest boven andere leeren kennen; en verder ook de oorzaak begrijpen, waarom wij van ons ligchaam slechts eene zeer verwarde kennis heb- >>

ben, en meer andere punten, die ik in het volgende hieruit zal afleiden. Daarom heb ik het der moeite waard geoordeeld, juist dit naauwkeuriger te ontvouwen en te bewijzen, waartoe het noodig is eenige dingen over de natuur der ligchamen voorop te zenden.  

Onmiddelijk klaarblijkelijke waarheid. I. Alle ligchamen zijn óf in beweging óf in rust. 

Onmiddelijk klaarblijkelijke waarheid II Ieder ligchaam wordt dan eens langzamer dan eens sneller bewogen.  

Hulpstelling. I. De ligchamen worden naar beweging en rust, snelheid en langzaamheid, niet naar de wezenheid der stof van elkander onderscheiden. 

Bewijs. Het eerste geloof ik, dat van zelfs bekend is. Maar dat de ligchamen niet naar de wezenheid der stof onderscheiden worden blijkt zowel uit stell. 5 als uit stell. 8. deel 1; maar duidelijker uit datgene, wat in aanm. stell. 15 deel 1 gezegd is.  

Hulpstelling II Alle ligchamen komen in eenige punten overeen. 

Bewijs. Alle ligchamen toch komen hier in overeen, dat zij het begrip van ééne en dezelfde eigenschap insluiten (volgens >>

bep. 1 van dit deel); verder, dat zij dan eens trager, dan eens sneller, en in ’t algemeen dan eens wel dan eens niet kunnen bewogen worden.  

Hulpstelling III. Een bewogen of stilstaand ligchaam moest tot beweging of stilstand bepaald worden door een ander ligchaam dat ook door een ander tot beweging of stilstand bepaald is, en dat wederom door een ander en zóó in het oneindige. 

Bewijs. De ligchamen zijn (volgens bep. 1 van dit deel) enkele dingen, die (volgens hulpstelling 1) naar beweging en rust van elkander onderscheiden zijn; en dus moet (volgens stell. 28 deel 1) elk noodzakelijk tot beweging of rust bepaald worden door een ander enkel ding, namelijk (volgens stell. 6 van dit deel) door een ander ligchaam, dat (volgens o.k.w. 1) evenzéér óf in beweging óf in rust is. Dit echter kon ook (volgens dezelfde redenering) noch in beweging noch in rust zijn, zoo het niet door een ander tot beweging of tot rust bepaald was, en dit wederom (volgens dezelfde redenering) door een ander, en zoo in het oneindige; w.t.b.w. 

Bijstelling. Hieruit volgt, dat een bewogen ligchaam zoo lang bewogen wordt totdat het door een ander ligchaam tot rust bepaald wordt; en dat een rustend ligchaam ook zoolang rust, totdat het door een ander tot beweging >>

bepaald wordt. Dit is ook op zich zelf bekend. Want wanneer ik veronderstel, dat b.v. het ligchaam A in rust is, en op geene andere bewogene ligchamen let, kan ik van het ligchaam A niets zeggen dan dat het in rust is. Bijaldien het daarna gebeurt, dat het ligchaam A bewogen wordt, dan kon dit zeker niet gebeuren doordien het rustte; want daaruit kon niets anders volgen, dan dat het ligchaam A rustte. Indien daarentegen verondersteld wordt, dat het ligchaam A in beweging is, dan zullen wij, zoo dikwijls als wij slechts op A letten, niets daarvan kunnen verzekeren dan dat het bewogen wordt. Bijaldien het daarna gebeurt, dat A in rust is, dan kon dit zeker niet gebeuren ten gevolge van de beweging, die het had; want uit de beweging kon niets anders volgen dan dat A bewogen werd. Dus wordt dit veroorzaakt door iets, dat niet in A was, namelijk door eene uitwendige oorzaak, waardoor het tot rust bepaald is. 

Onmiddelijk klaarblijkelijke waarheid I. Alle wijzen, waarop een ligchaam door een ander ligchaam wordt aangedaan, volgen uit de natuur van het aangedane en tegelijk uit de natuur van het aandoende ligchaam; zoo- >>

dat één en hetzelfde ligchaam verschillend bewogen wordt naarmate van de verschillende natuur der bewegende ligchamen, en dat daarentegen verschillende ligchamen door één en hetzelfde ligchaam verschillend bewogen worden. 

Onmiddelijk klaarblijkelijke waarheid II. Wanneer een bewogen ligchaam tegen een ander, dat rust en niet kan bewogen worden, aanstuit, dan wordt het teruggestooten, zoodat het voortgaat zich te bewegen; en de hoek gemaakt door de lijn der teruggekaatste beweging met het oppervlak van het rustende ligchaam, waar tegen het gestuit is, zal gelijk zijn aan den hoek, dien de lijn der invallende beweging met hetzelfde oppervlak maakt.  p103afb.jpg Dit geldt van de eenvoudigste ligchamen, welke namelijk alleen door beweging en rust, snelheid en langzaamheid van elkander onderscheiden worden. Laat ons thans tot de zamengestelde opklimmen. 

Bepaling. Wanneer eenige ligchamen van dezelfde of verschillende grootte zóó door de overige zamen- >>
 

gedrukt worden, dat zij tegen elkander aanliggen, of indien zij met denzelfden of verschillende graden van snelheid bewogen worden, zoodat zij hunne bewegingen aan elkander op eene zekere bepaalde wijs mededeelen, dan zullen wij die ligchamen onderling vereenigd noemen, en zeggen, dat zij allen te zamen één ligchaam of enkelwezen vormen, dat van de overige door deze vereeniging van ligchamen onderscheiden wordt. 

Onmiddelijk klaarblijkelijke waarheid III. Naarmate de delen van een enkelwezen of zamengesteld ligchaam met grootere of kleinere oppervlakten tegen elkander aanliggen, kunnen zij moeijelijker of gemakkelijker genoodzaakt worden, om hunne ligging te veranderen, en bij gevolg kan des te gemakkelijker of moeijelijker bewerkt worden, dat het enkelwezen zelf eene andere gedaante aanneemt. Daarom zal ik de ligchamen, wier deelen met groote oppervlakten tegen elkander aanliggen, hard, die, wier deelen met kleine oppervlakten tegen elkander aanliggen, zacht, en eindelijk, die, wier deelen onderling bewogen worden, vloeibaar noemen. 

Hulpstelling IV. Indien van een ligchaam of enkelwezen, dat uit verscheidene ligchamen is zamengesteld, eenige ligchamen worden afgescheiden, en tegelijk even veel andere van dezelfde natuur in hunne plaats komen, dan zal het enkelwezen zijne natuur behouden, zooals te voren, zonder dat er in zijn werkelijk bestaan iets verandert.

Bewijs. Want de ligchamen worden (volgens hulpstelling 1) ten aanzien van de wezenheid der stof niet onderscheiden. Datgene echter, wat de werkelijkheid van het enkelwezen daarstelt, bestaat (volgens de voorg. bep.) in den zamenhang der ligchamen. Deze wordt echter (volgens de onderstelling), al heeft er eene aanhoudende verandering der ligchamen plaats, behouden. Dus zal het ligchaam zoowel ten aanzien van de wezenheid der stof, als ten aanzien van de wijziging daarvan, dezelfde natuur behouden als te voren. w.t.b.w. 

Hulpstelling V Indien de deelen, die een enkelwezen zamenstellen, grooter of kleiner worden, maar echter in die verhouding, dat allen dezelfde onderlinge betrekking van beweging en rust als te voren behouden, dan zal ook het enkelwezen zijne natuur, even als te voren, behouden, zonder eenige verandering in zijn werkelijk bestaan. 

Bewijs. Het bewijs hiervan is hetzelfde als van de vorige hulpstelling. 

Hulpstelling VI. Indien eenige ligchamen, die een enkelwezen zamenstellen, genoodzaakt worden, de beweging, die zij naar éénen kant hebben, naar eenen anderen te keeren, maar zóó, dat zij hunne bewegingen kunnen voortzetten, en aan elkander in dezelfde >> 

verhouding als te voren mededeelen, dan zal desgelijks het enkelwezen zijne natuur behouden, zonder eenige verandering in zijn werkelijke bestaan. 

Bewijs. Dit blijkt van zelfs. Want het wordt verondersteld al datgene te behouden, hetwelk wij in zijne bepaling gezegd hebben dat zijn werkelijk bestaan uitmaakt. 

Hulpstelling VII. Daarenboven zal een alzoo zamengesteld enkelwezen zijne natuur behouden, hetzij het in zijn geheel bewogen wordt, hetzij het rust, hetzij het naar dezen, hetzij naar dien kant bewogen wordt, zoo slechts ieder deel zijne beweging behoudt, en die zooals te voren aan de overige mededeelt. 

Bewijs. Dit blijkt uit zijne bepaling, welke vóór hulpstelling 4 te zien is. 

Aanmerking. Hieruit zien wij derhalve, hoe een zamengesteld enkelwezen op velerlei wijze kan aangedaan worden, terwijl desniettemin zijne natuur behouden blijft. En tot nog toe hebben wij een enkelwezen gedacht, hetwelk niet dan uit ligchamen, die alleen door beweging en rust, door snelheid en langzaamheid van elkander onderscheiden worden, dat is uit de eenvoudigste ligchamen is zamengesteld. Bijaldien wij nu een ander denken uit verscheidene enkelwezens van verschillende soort zamengesteld, dan zullen wij bevinden, dat het op meer an- >>
 

dere wijzen kan aangedaan worden, terwijl zijne natuur des niettemin behouden blijft. Want nademaal elk deel daarvan uit meer ligchamen is zamengesteld; zal dus (volgens de vorige hulpstelling) elk deel daarvan zonder eenige verandering zijner natuur dan eens sneller dan eens langzamer kunnen bewogen worden, en bij gevolg zijne bewegingen sneller of langzamer aan de overige kunnen mededeelen. Bijaldien wij daarenboven eene derde soort van enkelwezens, die uit deze tweede is zamengesteld, denken, dan zullen wij bevinden, dat deze op vele andere wijzen kan aangedaan worden zonder eenige verandering van zijn werkelijk bestaan. En indien wij alzoo verder in het oneindige voortgaan, zullen wij gemakkelijk denken, dat de geheele natuur één enkelwezen is, welks deelen, dat is, alle ligchamen, op oneindige wijzen verschillen zonder eenige verandering van het geheele enkelwezen. En dit had ik, indien het mijn voornemen geweest was, opzettelijk over het ligchaam te handelen, uitvoeriger moeten verklaren en bewijzen. Doch ik heb reeds gezegd, dat ik iets anders wil; en dit om geene andere reden aanhaal, dan omdat ik daaruit wat ik besloten heb te bewijzen gemakkelijk kan afleiden.

Vereischten.  

I. Het menschelijk ligchaam is zamengesteld uit verscheidene enkelwezens van verschillende natuur, waarvan elk zeer >>
 

zamengesteld is. 

II. Van de enkelwezens, waaruit het menschelijk ligchaam is zamengesteld, zijn sommige vloeibaar, sommige zacht en eindelijk sommige hard. 

III. De enkelwezens, die het menschelijk ligchaam zamenstellen, en dus ook het menschelijk ligchaam zelf, worden door de uitwendige ligchamen op verschillende wijzen aangedaan. 

IV. Het menschelijk ligchaam behoeft, om bewaard te worden, verscheidene andere ligchamen, door welke het aanhoudend als 't ware vernieuwd wordt. 

V. Wanneer een vloeibaar deel van het menschelijk ligchaam door een uitwendig ligchaam bepaald wordt, om dikwijls tegen een ander zacht deel te drukken, dan verandert het zijne oppervlakte, en drukt er als 't ware eenige sporen in van het uitwendige, drukkende ligchaam. 

VI. Het menschelijk ligchaam kan de uitwendige ligchamen op velerlei wijzen bewegen en op velerlei wijzen aandoen. 

Stelling XIV. De menschelijke geest is geschikt om zeerveel waar te nemen, en des te geschikter naar mate zijn ligchaam op meer wijzen kan aangedaan worden. 

Bewijs. Want het menschelijk ligchaam wordt (volgens vereischte 3 en 6) op verschillende wijzen door de uitwendige ligchamen aangedaan, en genoopt om de uit- >>

wendige  ligchamen op verschillende wijzen aan te doen. Maar alles, wat in het menschelijk ligchaam gebeurt moet (volgens stell. 12 van dit deel) de menschelijke geest waarnemen. Dus is de menschelijke geest geschikt om zeer veel waar te nemen en des te geschikter enz: w.t.b.w. 

Stelling XV. Het denkbeeld, dat het werkelijke bestaan van den menschelijken geest daarstelt, is niet eenvoudig, maar uit zeer vele denkbeelden zamengesteld. 

Bewijs. Het denkbeeld, dat het werkelijke bestaan van den menschelijken geest daarstelt, is het denkbeeld des ligchaams (volgens stell. 13 van dit deel) hetwelk (volgens vereischte 1) uit verscheidene zeer zamengestelde enkelwezens is zamengesteld. Maar van elk enkelwezen, dat het ligchaam zamenstelt, is noodzakelijk (volgens bijstell. stell. 8 van dit deel) in God een denkbeeld. Derhalve (volgens stell. 7 van dit deel) is het denkbeeld van het menschelijk ligchaam uit de vele denkbeelden van deze zamenstellende denkbeelden zamengesteld, w.t.b.w. 

Stelling XVI. Het denkbeeld van elke wijziging, waarmede het menschelijk ligchaam door de uitwendige ligchamen wordt aangedaan, moet de natuur van het menschelijk ligchaam en tevens de natuur van het uitwendige ligchaam >>

insluiten. 

Bewijs. Want alle wijzigingen, waarmede een ligchaam wordt aangedaan, volgen uit de natuur van het aangedane en tevens van het aandoende ligchaam (volgens o.k.w. 1. na bijstell. hulpst. 3). Daarom zal hun denkbeeld (volgens o.k.w. 4 deel 1) de natuur van beide ligchamen noodzakelijk insluiten. Derhalve sluit het begrip van elke wijziging, waarmede het menschelijk ligchaam door een uitwendig ligchaam wordt aangedaan, de natuur van het menschelijk ligchaam en van het uitwendige ligchaam in; w.t.b.w. 

Bijstelling I Hieruit volgt vooreerst, dat de menschelijke geest de natuur van zeer vele ligchamen te gelijk met die van zijn ligchaam waarneemt. 

Bijstelling II Ten tweede volgt, dat de denkbeelden, die wij van de uitwendige ligchamen hebben, meer de gesteldheid van ons ligchaam dan de natuur der uitwendige ligchamen aanwijzen; hetgeen ik in het aanhangsel op het eerste deel met vele voorbeelden heb aangetoond. 

Stelling XVII. Indien het menschelijk ligchaam aangedaan is met eene wijziging, welke de natuur van eenig uitwendig ligchaam insluit, dan zal de menschelijke geest dat uitwendige ligchaam als werkelijk bestaande of als bij hem tegenwoordig beschouwen, totdat het >>

ligchaam wordt aangedaan met eene aandoening, die het bestaan of de tegenwoordigheid van dat ligchaam uitsluit. 

Bewijs. Dit blijkt. Want zoolang als het menschelijk ligchaam zóó is aangedaan, zal de menschelijke geest (volgens stell. 12 van dit deel) deze aandoening des ligchaams beschouwen, dat is (volgens de vorige stell.) het denkbeeld hebben van eene werkelijk bestaande wijziging, welke de natuur van het uitwendige ligchaam insluit, dat is een denkbeeld, dat het bestaan of de tegenwoordigheid der natuur van het uitwendige ligchaam niet buitensluit maar stelt. De geest zal dus (volgens de voorg. bijstell. 1.) het uitwendige ligchaam als werkelijk bestaande of als tegenwoordig beschouwen, totdat enz. w.t.b.w. 

Bijstelling. De geest zal de uitwendige ligchamen, waardoor het menschelijke ligchaam eens is aangedaan, al zijn zij noch bestaande noch tegenwoordig, toch kunnen beschouwen, alsof zij tegenwoordig waren. 

Bewijs. Wanneer de uitwendige ligchamen de vloeibare deelen van het menschelijk ligchaam zóó bepalen, dat zij dikwijls tegen de zachte aanstuiten, dan veranderen zij (volgens vereischte 5) hunne oppervlakten. Hierdoor gebeurt het (zie o.k.w. 2 na bijstell. hulpstell. 3) dat zij van daar op eene andere wijs worden teruggekaatst dan zij te voren gewoon waren, >>

en dat zij ook naderhand, wanneer zij diezelfde oppervlakten door hunne eigene beweging ontmoeten, op dezelfde wijs worden teruggekaatst, als toen zij door de uitwendige ligchamen naar die oppervlakten waren heengedreven, en bij gevolg, dat zij het menschelijk ligchaam, terwijl zij alzoo teruggekaatst voortgaan zich te bewegen, op dezelfde wijs aandoen, waarover de geest (volgens stell. 12 van dit deel) wederom zal denken, dat is (volgens stell. 17 van dit deel) de geest zal wederom het uitwendige ligchaam als tegenwoordig beschouwen, en dit zoo dikwijls, als de vloeibare deelen van het menschelijk ligchaam door hunne vrijwillige beweging dezelfde oppervlakten zullen ontmoeten. Daarom, ofschoon de uitwendige ligchamen, waardoor het menschelijk ligchaam eens is aangedaan, niet bestaan, echter zal de geest ze zoo dikwijls als tegenwoordig beschouwen, als deze werking des ligchaams herhaald wordt; w.t.b.w. 

Aanmerking. Wij zien dus, hoe het mogelijk is, dat wij wat niet bestaat als tegenwoordig beschouwen, zoo als dikwijls gebeurt. En het kan zijn, dat dit om andere redenen plaats heeft. Doch het is mij genoeg er hier ééne te hebben aangetoond, waardoor ik de zaak zóó kon verklaren, als of ik ze door hare ware oorzaak had aangetoond, en ik geloof niet, dat ik ver >>

van de ware oorzaak afdwaal, daar al de vereischten, die ik heb aangenomen, naauwlijks iets bevatten, dat niet zeker is door de ondervinding, over welke wij niet mogen twijfelen, nu wij hebben aangetoond, dat het menschelijk ligchaam, zooals wij het voelen, bestaat (zie bijst. na stell. 13 van dit deel). Daarenboven begrijpen wij (uit de vorige bijstell. en uit bijstell. 2 stell. 16 van dit deel) duidelijk, welk onderscheid er is tusschen het denkbeeld b.v. van Petrus, dat de wezenheid van den geest van Petrus uitmaakt, en tusschen het denkbeeld van Petrus zelven, dat in een ander mensch, bijvoorbeeld in Paulus is. Want dat eerste drukt regelregt de wezenheid uit van het ligchaam van Petrus zelven, en sluit het bestaan niet in dan zoolang als Petrus bestaat; dit daarentegen geeft meer de gesteldheid des ligchaams van Paulus dan de natuur van Petrus te kennen, en daarom zal zoolang als die gesteldheid zijns ligchaams duurt, de geest van Paulus, al bestaat Petrus niet, hem toch als bij zich tegenwoordig beschouwen. Verder zal ik, om de gewone woorden >>

te gebruiken, de aandoeningen van het menschelijk ligchaam, waarvan de denkbeelden de uitwendige ligchamen als aan ons tegenwoordig voorstellen, de beelden der dingen noemen, al geven zij de gedaanten der dingen niet weder: en wanneer de geest op deze wijs de ligchamen beschouwt, zal ik zeggen, dat hij zich verbeeldt. En om hier te beginnen aan te wijzen, wat dwaling is, verzoek ik op te merken, dat de verbeeldingen van den geest op zich zelve beschouwd geene dwaling bevatten, of dat de geest daardoor, dat hij zich verbeeldt, niet dwaalt; maar alleen voor zoover hij beschouwd wordt als verstoken van een denkbeeld, dat het bestaan van die dingen, welke hij zich als tegenwoordig verbeeldt, buitensluit. Want indien de geest, terwijl hij zich niet bestaande dingen als tegenwoordig verbeeldt, tevens wist, dat die dingen werkelijk niet bestonden, dan zou hij zeker deze magt van verbeelding aan eenen deugd zijner natuur niet aan een gebrek toeschrijven; vooral indien dit vermogen van verbeelden alleen van zijne natuur afhing, dat is (volgens bep. 7. deel 1) indien dit verbeeldensvermogen van den geest vrij was. 

Stelling XVIII. Indien het menschelijk >>

ligchaam eens door twee of meer ligchamen te gelijk is aangedaan, dan zal de geest, wanneer hij zich later één hunner verbeeldt, terstond zich ook aan de anderen herinneren. 

Bewijs. De geest zal (volgens de vorige stelling) eenig ligchaam daarom verbeelden, dewijl namelijk het menschelijk ligchaam door de sporen van het uitwendige ligchaam op dezelfde wijs wordt aangedaan en getroffen, als het werd aangedaan, toen eenige zijner deelen door het uitwendige ligchaam zelf werden getroffen. Doch (volgens de onderstelling) het ligchaam was toen zoodanig aangedaan, dat de geest twee ligchamen te gelijk verbeeldde. Derhalve zal hij er ook nu twee te gelijk verbeelden, en wanneer de geest een van beiden verbeeldt, zal hij zich dadelijk ook het andere herinneren. w.t.b.w. 

Aanmerking. Hierdoor begrijpen wij duidelijk, waarin het geheugen bestaat. Want het is niets anders dan eene zekere aaneenschakeling van denkbeelden, die de natuur der dingen, welke buiten het menschelijk ligchaam zijn, insluiten, welke in den geest geschiedt volgens de volgorde en de aaneenschakeling der aandoeningen van het menschelijk ligchaam. Ik zeg voor- >>

eerst, dat het eene aaneenschakeling is van die denkbeelden alleen, welke de natuur der dingen, die buiten het menschelijk ligchaam zijn, insluiten; maar niet van de denkbeelden, welke de natuur dier dingen verklaren. Want het zijn (volgens stell. 16 van dit deel) inderdaad denkbeelden van aandoeningen des menschelijken ligchaams, die zoowel de natuur hiervan als van de uitwendige ligchamen insluiten. Ik zeg ten tweede, dat deze aaneenschakeling geschiedt volgens de volgorde en de aaneenschakeling der aandoeningen van het menschelijk ligchaam, om haar te onderscheiden van de aaneenschakeling der denkbeelden, die geschiedt volgens de volgorde van het verstand, waardoor de geest de dingen door [afleiding uit] hunne eerste oorzaken leert kennen, en die in alle menschen dezelfde is. En hieruit begrijpen wij verder duidelijk, waarom de geest door de gedachte van één ding terstond op de gedachte van een ander ding valt, dat met het eerste geene gelijkheid heeft; zooals b.v. een Romein door de gedachte van het woord pomus dadelijk op de gedachte van de vrucht valt, die met dat woord geene overeenkomst heeft, noch iets gemeenschappelijks, behalve dat het >>
 

ligchaam van dien mensch dikwijls door die beiden is aangedaan, dat is, dat hij dikwijls het woord pomus gehoord heeft, terwijl hij de vrucht zelve zag; en alzoo zal ieder van de ééne gedachte op de andere vallen, naardat ieders gewoonte de beelden der dingen in het ligchaam heeft gerangschikt. Want een krijgsman zal b.v. door in het zand de sporen van een paard te zien dadelijk van de gedachte van een paard op de gedachte van eenen ruiter, en vandaar op de gedachte van oorlog enz. vallen. Maar een landman zal van de gedachte van een paard op de gedachte van eenen ploeg, van eenen akker, enz. vallen; en zoo zal ieder, naardat hij gewoon is geweest de beelden der dingen op deze of eene andere wijs te verbinden en aaneen te schakelen, uit de eene gedachte op deze of eene andere vallen. 

Stelling XIX. De menschelijke geest kent het menschelijk ligchaam zelf niet, en weet niet, dat het bestaat, behalve door de denkbeelden der aandoeningen, waarmede het ligchaam wordt aangedaan. 

Bewijs. Want de menschelijke geest is het denkbeeld zelf of de kennis van het menschelijke ligchaam (volgens stell. 13 van dit deel), welke (volgens stell. 9 van dit deel) in God is voorzoover hij als door het denkbeeld van een ander enkelwezen aangedaan beschouwd wordt; of omdat (volgens >>

vereischte 4) het menschelijke ligchaam zeer vele ligchamen noodig heeft, door welke het aanhoudend als 't ware vernieuwd wordt, en de volgorde en zamenhang der denkbeelden (volgens stell. 7 van dit deel) dezelfde is als de volgorde en zamenhang der oorzaken, zal dit denkbeeld in God zijn, voorzooverre hij als door de denkbeelden van zeer vele enkele dingen aangedaan beschouwd wordt. God heeft dus een denkbeeld van het menschelijk ligchaam, of kent het menschelijk ligchaam, voorzoover als hij door zeer vele andere denkbeelden is aangedaan, en niet voorzoover hij de natuur van den menschelijken geest daarstelt, dat is (volgens bijstell. stell. 11 van dit deel) de menschelijke geest kent het menschelijk ligchaam niet. Maar de denkbeelden van de aandoeningen des ligchaams zijn in God, voorzoover hij de natuur van den menschelijken geest daarstelt, of de menschelijken geest neemt dezelfde aandoeningen waar (volgens stell. 12 van dit deel), en bijgevolg (volgens stell. 16 van dit deel) het menschelijk ligchaam zelf, en wel (volgens stell. 17 van dit deel) als werkelijk bestaande. Dus neemt de menschelijke geest slechts in zooverre het menschelijke ligchaam zelf waar. w.t.b.w. 

Stelling XX. Van den menschelijken geest bestaat ook in God een denkbeeld of >>

eene kennis, welke in God op dezelfde wijs volgt en tot God op dezelfde wijs wordt teruggebracht als het denkbeeld of de kennis van het menschelijke ligchaam. 

Bewijs. Het denken is eene eigenschap Gods (volgens stell. 1 van dit deel); en daarom (volgens stell. 3 van dit deel) moet er zoowel van hem als van al zijne aandoeningen en dus ook (volgens stell. 11 van dit deel) van den menschelijken geest noodzakelijk een denkbeeld in God gevonden worden. Verder volgt het niet, dat dit denkbeeld of deze kennis van den geest in God gevonden wordt, voorzoover hij oneindig is; maar voorzoover hij door het denkbeeld van een ander enkel ding is aangedaan (volgens stell. 9 van dit deel). Maar de volgorde en de zamenhang der denkbeelden is dezelfde als de volgorde en zamenhang der oorzaken (volgens stell. 7 van dit deel). Dus volgt dit denkbeeld of deze kennis in God en wordt evenzoo tot God teruggebragt als het denkbeeld of de kennis des ligchaams. w.t.b.w. 

Stelling XXI. Dit denkbeeld van den geest is op denzelfde wijs met den geest verbonden, als de geest zelf met het ligchaam verbonden is. 

Bewijs. Dat de geest met het ligchaam >>
 

verbonden is, hebben wij daardoor aangetoond, dewijl namelijk het ligchaam het voorwerp van den geest is (zie stell. 12 en 13 van dit deel): en dus moet om diezelfde reden het denkbeeld van den geest met zijn voorwerp, dat is met den geest zelven evenzoo verbonden zijn als de geest zelf met het ligchaam verbonden is; w.t.b.w. 

Aanmerking. Deze stelling wordt veel duidelijker begrepen uit het gezegde in aanm. stell. 7 van dit deel. Want dáár hebben wij aangetoond, dat het denkbeeld des ligchaams en het ligchaam, dat is (volgens stell. 13 van dit deel) de geest en het ligchaam, één en hetzelfde enkelwezen zijn, hetwelk dan eens onder de eigenschap van het denken dan eens onder die der uitgebreidheid gedacht wordt. Daarom is het denkbeeld van den geest en de geest zelf één en hetzelfde ding, hetwelk onder ééne en dezelfde eigenschap, namelijk van het denken, gedacht wordt. Het denkbeeld van den geest, zeg ik, en de geest zelf volgen in God met dezelfde noodzakelijkheid uit dezelfde magt van het denken. Want in der daad is het denkbeeld van den geest, dat is, het denkbeeld van het denkbeeld niets anders, dan het werkelijke bestaan van het denkbeeld, voorzoover dit als eene wijziging van het denken zonder betrekking tot het voorwerp beschouwd wordt. Want zoodra als iemand iets weet, weet hij juist >>

daardoor dat hij het weet, en weet tevens dat hij weet, dat hij het weet, en zoo in het oneindige. Doch hierover later. 

Stelling XXII. De menschelijke geest neemt niet alleen de aandoeningen des ligchaams, maar ook de denkbeelden dier aandoeningen waar. 

Bewijs. De denkbeelden van de denkbeelden der aandoeningen volgen in God op dezelfde wijs en worden tot God op dezelfde wijs teruggebragt, als de denkbeelden der aandoeningen zelve; hetgeen op dezelfde wijs bewezen wordt als stelling 20 van dit deel. Maar de denkbeelden van de aandoeningen des ligchaams zijn in den menschelijken geest (volgens stell. 12 van dit deel), dat is (volgens bijst. stell. 11 van dit deel) in God, voorzoover hij de wezenheid van den menschelijken geest daarstelt. Derhalve zullen de denkbeelden van deze denkbeelden in God zijn, voorzoover hij de kennis of het denkbeeld van den menschelijken geest heeft, dat is (volgens stell. 21 van dit deel) in den menschelijken geest zelven, die daarom niet alleen de aandoeningen des ligchaams, maar ook de denkbeelden daarvan waarneemt; w.t.b.w. 

Stelling XXIII. De menschelijke geest kent zich zelven niet dan voorzoover hij de denkbeelden der aandoeningen van het ligchaam waarneemt. 

Bewijs. Het denkbeeld of de kennis van den geest volgt (volgens stell. 20 van dit deel) in God op dezelfde wijs en wordt op dezelfde wijs tot God teruggebragt als het denkbeeld of de kennis des ligchaams. Doch >>
 

omdat (volgens stell. 19 van dit deel) de menschelijke geest het menschelijke ligchaam zelf niet kent, dat is (volgens bijst. stell. 11 van dit deel) omdat de kennis van het menschelijk ligchaam tot God niet wordt teruggebragt, voorzoover hij de natuur van den menschelijken geest daarstelt; wordt derhalve ook de kennis van den geest niet op God teruggebragt, voorzoover hij de wezenheid van den menschelijken geest daarstelt; en dus (volgens dezelfde bijstell. stell. 11 van dit deel) kent de menschelijke geest in zooverre zichzelven niet. Verder sluiten de denkbeelden der aandoeningen, waarmede het ligchaam wordt aangedaan de natuur van het menschelijk ligchaam zelf in (volgens stell. 16 van dit deel), dat is (volgens stell. 13 van dit deel) zij komen met de natuur van den geest overeen. Daarom zal de kennis van deze denkbeelden noodzakelijk de kennis van den geest insluiten. Maar (volgens de vorige stell.) de kennis van deze denkbeelden is in den menschelijken geest zelven. Dus kent de menschelijke geest alleen inzooverre zich zelven; w.t.b.w. 

Stelling XXIV. De menschelijke geest sluit geene volledige kennis in van de deelen, die het menschelijke ligchaam daarstellen. 

Bewijs. De deelen, die het menschelijk ligchaam zamenstellen, behooren niet tot >>

de wezenheid van het ligchaam zelf, behalve voorzoover zij hunne bewegingen op eene zekere bepaalde wijs aan elkander mededeelen (zie bep. na bijstell. hulpstell. 3), en niet voorzoover zij als enkelwezens zonder betrekking op het menschelijke ligchaam kunnen beschouwd worden. Want de deelen van het menschelijke ligchaam zijn (volgens vereischte 1) zeer zamengestelde enkelwezens, wier deelen (volgens hulpstell. 4) van het menschelijke ligchaam terwijl zijne natuur en werkelijk bestaan geheel behouden blijven, kunnen afgescheiden worden en hunne bewegingen (zie o.k.w. 2 na hulpstel. 3) aan andere ligchamen op eene andere wijs mede deelen. Derhalve zal (volgens stell. 3 van dit deel) het denkbeeld of de kennis van elk deel in God zijn, en wel (volgens stell. 9 van dit deel) voorzoover hij beschouwd wordt als aangedaan met een ander denkbeeld van een enkel ding, welk enkel ding in de volgorde der natuur aan dat deel voorafgaat (volgens stell. 7 van dit deel). Ditzelfde is daarenboven ook van elk deel van het enkelwezen, dat het menschelijk ligchaam zamenstelt, te zeggen. Derhalve is de kennis van elk deel, dat het menschelijke ligchaam zamenstelt, in God, voorzoover hij met zeer vele denkbeelden van dingen is aangedaan, en niet voorzoover hij alleen het denkbeeld van >>
 

het menschelijk ligchaam heeft, dat is (volgens stell. 13 van dit deel) het denkbeeld, dat de natuur van den menschelijken geest daarstelt. En derhalve (volgens bijst. stell. 11 van dit deel) sluit de menschelijke geest geene volledige kennis in van de deelen, die het menschelijke ligchaam zamenstellen; w.t.b.w. 

Stelling XXV. Het denkbeeld van eenige aandoening des menschelijken ligchaams sluit geene volledige kennis van het uitwendige ligchaam in. 

Bewijs. Wij hebben aangetoond, dat het denkbeeld eener aandoening van het menschelijk ligchaam in zooverre de natuur van het uitwendige ligchaam insluit (zie stell. 16 van dit deel), als het uitwendige ligchaam het menschelijke ligchaam zelf op eenigerlei wijs bepaalt. Maar voorzoover het uitwendige ligchaam een enkelwezen is, dat op het menschelijke ligchaam geene betrekking heeft, is zijn denkbeeld of zijne kennis in God (volgens stell. 9 van dit deel), voorzoover God beschouwd wordt als aangedaan met het denkbeeld van een ander ding, hetwelk (volgens stell. 7 van dit deel) van natuur aan het uitwendige ligchaam zelf voorafgaat. Derhalve is er geene volledige kennis van het uitwendige ligchaam in God, voorzoover hij het denkbeeld van de aandoening van het menschelijke ligchaam heeft, of het denkbeeld >>

eener aandoening des menschelijken ligchaams sluit geene volledige kennis van het uitwendige ligchaam in; w.t.b.w. 

Stelling XXVI. De menschelijke geest neemt geen uitwendig ligchaam als werkelijk bestaand waar dan door de denkbeelden der aandoeningen van zijn ligchaam. 

Bewijs. Indien de menschelijke geest door een uitwendig ligchaam volstrekt niet is aangedaan, dan is dus ook (volgens stell. 7 van dit deel) het denkbeeld van het menschelijk ligchaam, dat is (volgens stell. 13 van dit deel) de menschelijke geest door het denkbeeld van het bestaan van dat ligchaam op geenerlei wijs aangedaan, of neemt het bestaan van dat uitwendige ligchaam op geenerlei wijs waar. Maar voorzoover het menschelijk ligchaam door eenig uitwendig ligchaam op eenigerlei wijs wordt aangedaan, inzooverre (volgens stell. 16 van dit deel met de bijstell.) neemt hij het uitwendige ligchaam waar; w.t.b.w. 

Bijstelling. Voor zoover de menschelijke geest zich een uitwendig ligchaam verbeeldt, in zooverre heeft hij daarvan geene volledige kennis. 

Bewijs. Wanneer de menschelijke geest met behulp van de denkbeelden der aandoeningen van zijn ligchaam de uitwendige ligchamen beschouwt, dan zeggen wij dat hij zich verbeeldt (zie de aanmerk. op bijstel. stell. 17 van dit deel); en de geest kan zich op geene andere wijs (volgens de vorige >>

stell.) de uitwendige ligchamen als werkelijk bestaande verbeelden. En daarom (volgens stell. 25 van dit deel) voorzoover de menschelijke geest zich de uitwendige ligchamen verbeeldt, heeft hij daarvan geene volledige kennis; w.t.b.w. 

Stelling XXVII. Het denkbeeld van eenige aandoening van het menschelijke ligchaam sluit geene volledige kennis van het menschelijke ligchaam zelf in. 

Bewijs. Ieder denkbeeld van eenige aandoening van het menschelijke ligchaam sluit inzooverre de natuur van het menschelijke ligchaam in, als het menschelijke ligchaam als op eene bepaalde wijs aangedaan beschouwd wordt (zie stell. 16 van dit deel). Maar voorzoover het menschelijke ligchaam een enkelwezen is, dat op vele andere wijzen kan aangedaan worden, is zijn denkbeeld enz. Zie het bewijs van stell. 25 van dit deel. 

Stelling XXVIII. De denkbeelden der aandoeningen van het menschelijk ligchaam, voor zoover zij alleen betrekking hebben op den menschelijken geest, zijn niet helder en duidelijk maar verward. 

Bewijs. Want de denkbeelden der aandoeningen van het menschelijk ligchaam >>
 

sluiten zoowel de natuur der uitwendige ligchamen in als die van het menschelijke ligchaam zelf (volgens stell. 16 van dit deel); en moeten niet alleen de natuur van het menschelijke ligchaam maar ook van zijne deelen insluiten. Want de aandoeningen zijn wijzen (volgens stell. 3), waarop de deelen van het menschelijke ligchaam, en bij gevolg het geheele ligchaam wordt aangedaan. Maar (volgens stell. 24 en 25 van dit deel) de volledige kennis der uitwendige ligchamen, als ook van de deelen, die het menschelijk ligchaam zamenstellen, is niet in God, voorzoover hij als met den menschelijken geest maar als met die denkbeelden aangedaan beschouwd wordt. Dus zijn deze denkbeelden der aandoeningen, voorzoover zij alleen tot den geest worden teruggebragt, zooveel als gevolgtrekkingen zonder grondstellingen, dat is (gelijk van zelfs spreekt) verwarde denkbeelden; w.t.b.w. 

Aanmerking. Op dezelfde wijs wordt bewezen, dat het denkbeeld, dat de natuur van den menschelijken geest daarstelt, niet helder en duidelijk is, en evenmin het denkbeeld van den menschelijken geest en de denkbeelden der denkbeelden van de aandoeningen des menschelijken ligchaams, voorzoover zij alleen tot den >>

geest worden teruggebragt, wat ieder gemakkelijk kan inzien. 

Stelling XXIX. Het denkbeeld van het denkbeeld van eenige aandoening van het menschelijke ligchaam sluit geene volledige kennis in van den menschelijken geest. 

Bewijs. Want het denkbeeld eener aandoening van het menschelijke ligchaam sluit (volgens stell. 27 van dit deel) geene volledige kennis in van het ligchaam zelf, of drukt zijne natuur niet volledig uit, dat is (volgens stell. 13 van dit deel) het komt niet volledig met de natuur van den geest overeen. Dus drukt (volgens o.k.w. 6 deel 1) het denkbeeld van dit denkbeeld de natuur van den menschelijken geest niet volledig uit, of sluit geene volledige kennis daarvan in; w.t.b.w. 

Bijstelling. Hieruit volgt, dat de menschelijke geest, zoo dikwijls als hij de dingen volgens de gewone volgorde der natuur waarneemt, noch van zichzelven, noch van zijn ligchaam eene volledige, maar slechts eene verwarde en gebrekkige kennis heeft. Want de geest kent zichzelven niet, dan voorzoover hij de denkbeelden der aandoeningen van zijn ligchaam waarneemt (volgens stell. 23 van dit deel). Zijn ligchaam echter neemt hij (volgens stell. 19 van dit deel) niet waar, dan door de denkbeelden der aandoeningen zelve, waardoor hij ook alleen (volgens stell. 26 van dit deel) de uitwendige ligchamen waarneemt. En dus voorzoover hij die heeft, >>

heeft hij noch van zich zelven (volgens stell. 29 van dit deel) noch van zijn ligchaam (volgens stell. 27 van dit deel) noch van de uitwendige ligchamen (volgens stell. 25 van dit deel) eene volledige kennis, maar alleen (volgens stell. 28 van dit deel met de aanm.) eene gebrekkige en verwarde; w.t.b.w. 

Aanmerking. Ik zeg uitdrukkelijk, dat de geest noch van zich zelven, noch van zijn ligchaam, noch van de uitwendige ligchamen eene volledige maar slechts eene verwarde kennis heeft, zoodikwijls als hij de dingen volgens de gewone volgorde der natuur waarneemt, dat is, zoo dikwijls als hij van buiten, namelijk door den toevalligen zamenloop der dingen, bepaald wordt om dit of dat te beschouwen, en niet, zoo dikwijls als hij inwendig, namelijk daardoor dat hij verscheidene dingen te gelijk beschouwt, bepaald wordt, om hunne overeenkomsten, verschillen en tegenstrijdigheden te begrijpen. Want zoo dikwijls als hij op deze of eene andere wijs inwendig bepaald wordt, beschouwt hij de dingen helder en duidelijk, gelijk ik beneden zal aantoonen. 

Stelling XXX. Wij kunnen van de voortduring van ons ligchaam niet anders dan eene zeer onvolledige kennis hebben. 

Bewijs. De voortduring van ons ligchaam is niet afhankelijk van zijne wezenheid (vol- >>
 

gens o.k.w. 1. van dit deel), en ook niet van de volstrekte natuur van God (volgens stell. 21. deel 1); maar (volgens stell. 28 deel 1) wordt het tot bestaan en werken bepaald door zoodanige oorzaken, welke ook door andere tot bestaan en werken op eene zekere en bepaalde wijs bepaald zijn, en deze wederom door andere, en zóó tot in het oneindige. De voortduring van ons ligchaam is dus afhankelijk van den algemeenen zamenhang der natuur en de inrigting der dingen. Hoe echter de dingen zijn ingerigt, daarvan is eene volledige kennis in God, voorzoover hij de denkbeelden van hen allen, en niet voorzoover hij alleen het denkbeeld van het menschelijk ligchaam heeft (volgens bijstell. stell. 9 van dit deel). Derhalve is de kennis der voortduring van ons ligchaam in God zeer onvolledig, voorzoover hij slechts beschouwd wordt de natuur van den menschelijken geest daartestellen, dat is (volgens bijstell. stell. 11 van dit deel) deze kennis is in onzen geest zeer onvolledig; w.t.b.w. 

Stelling XXXI. Wij kunnen van de voortduring der enkele dingen, die buiten ons zijn, geene dan eene zeer onvolledige kennis hebben. 

Bewijs. Ieder enkel ding toch moet, evenals het menschelijk ligchaam, door een ander enkel ding bepaald worden, om op eene zekere en bepaalde >>

wijs te bestaan en te werken; en dit wederom door een ander, en zóó in het oneindige (volgens stell. 28 deel 1). Daar wij echter uit deze algemeene hoedanigheid der enkele dingen in de vorige stell bewezen hebben, dat wij van de voortduring van ons ligchaam niet anders dan eene zeer onvolledige kennis hebben; zoo zal dus ditzelfde omtrent de voortduring der enkele dingen moeten besloten worden, namelijk dat wij daarvan slechts eene zeer onvolledige kennis kunnen hebben; w.t.b.w. 

Bijstelling. Hieruit volgt, dat alle enkele dingen toevallig en vergankelijk zijn. Want van hunne voortduring kunnen wij geene volledige kennis hebben (volgens de vorige stell.), en dit is het, wat wij onder de toevalligheid en de vergankelijkheid der dingen moeten verstaan. Zie aanm. 1 stell. 33. deel 1. Want (volgens stell. 29. deel 1) bestaat er buitendien geene toevalligheid. 

Stelling XXXII. Alle denkbeelden zijn, voorzoover zij tot God teruggebragt worden, waar. 

Bewijs. Want alle denkbeelden, die in God zijn, komen (volgens bijstell. stell. 7 van dit deel) met het door hen gedachte volmaakt overeen, en dus (volgens o.k.w. 6 deel 1) zijn allen waar; w.t.b.w. 

Stelling XXXIII. Er bestaat niets stelligs >>

in de denkbeelden, om hetwelk zij valsch genoemd worden. 

Bewijs. Indien gij het ontkent, denk dan, als het mogelijk is, eene stellige wijs van denken, die het werkelijk bestaan van dwaling of valschheid daarstelt. Deze wijs van denken kan niet in God zijn (volgens de vorige stell.); doch buiten God kan die niet bestaan noch gedacht worden (volgens stell. 15 deel I). En dus kan er in de denkbeelden niets stelligs bestaan, om hetwelk zij valsch genoemd worden; w.t.b.w. 

Stelling XXXIV. Elk denkbeeld, dat in ons volstrekt of volledig en volkomen is, is waar. 

Bewijs. Wanneer wij zeggen, dat in ons een volledig en volkomen denkbeeld bestaat, dan zeggen wij niets anders (volgens bijstell. stell. 11 van dit deel) dan dat in God, voorzoover hij de waarheid van onzen geest daarstelt, een volledig en volkomen denkbeeld bestaat, en bij gevolg (volgens stell. 32 van dit deel) zeggen wij niets anders, dan dat zoodanig een denkbeeld waar is; w.t.b.w. 

Stelling XXXV. De dwaling bestaat in het gemis van kennis, hetwelk de onvolledige of gebrekkige en verwarde denkbeelden insluiten. 

Bewijs. In de denkbeelden is niets stelligs, dat het werkelijke bestaan der dwaling daarstelt (volgens stell. 33 van dit deel).

Maar de dwaling kan niet in volstrekt gemis bestaan (want men zegt, dat de geesten niet de ligchamen dwalen), en ook niet in de volstrekte onwetendheid, want er is onderscheid tusschen niet weten en dwalen. Dus bestaat zij in het gemis van kennis, dat de onvolledige kennis der dingen of de onvolledige en verwarde begrippen insluiten; w.t.b.w. 

Aanmerking. In de aanmerking stell. 17 van dit deel heb ik aangetoond, hoe de dwaling in het gebrek aan kennis bestaat. Doch tot naauwkeuriger verklaring hiervan zal ik een voorbeeld geven. De menschen namelijk dwalen, omdat zij meenen, dat zij vrij zijn; welke meening alleen daarin bestaat, dat zij zich van hunne daden bewust zijn en onbekend met de oorzaken, waardoor zij bepaald worden. Dit is dus hun denkbeeld van vrijheid, dat zij van hunne daden geene oorzaak kennen. Want wat zij zeggen, dat de menschelijke daden van den wil afhangen, zijn woorden, waarvan zij geen denkbeeld hebben. Want wat de wil is, en hoe hij het ligchaam beweegt weet niemand; die iets anders beweren verdichten zitplaatsen en woningen des geestes, of brengen gelach of walging te weeg. Wanneer wij alzoo de zon aanschouwen, ver- >>
 

beelden wij ons, dat zij omtrent tweehonderd voeten van ons verwijderd is; en deze dwaling bestaat niet alleen in die verbeelding, maar daarin, dat terwijl wij ons haar aldus verbeelden, wij haren waren afstand en de oorzaak dier verbeelding niet weten. Want al vernemen wij naderhand, dat zij meer dan zeshonderdmaal de lengte van de as der aarde van ons verwijderd is, toch verbeelden wij ons niettemin, dat zij digt bij is; want wij verbeelden ons de zon niet als zoo nabij, omdat wij haren waren afstand niet kennen, maar daarom, dewijl de aandoening van ons ligchaam de wezenheid der zon insluit, voorzoover het ligchaam zelf daardoor wordt aangedaan. 

Stelling XXXVI. De onvolledige en verwarde denkbeelden volgen met dezelfde noodzakelijkheid als de volledige of heldere en duidelijke denkbeelden. 

Bewijs. Alle denkbeelden zijn in God (volgens stell 15 deel 1) en voor zoover zij tot God worden teruggebragt zijn zij waar (volgens stell. 32 van dit deel) en (volgens bijst. stell. 7 van dit deel) volledig; en dus zijn er geene onvolledig noch verward, dan inzooverre als zij tot iemands bijzonderen geest worden teruggebragt.

Zie hierover stell. 24 en 28 van dit deel. Derhalve volgen allen, zoowel de volledige als de onvolledige, met dezelfde noodzakelijkheid (volgens bijstell. stell. 6 van dit deel) w.t.b.w. 

Stelling XXXVII. Wat aan allen gemeen (zie hier over boven hulpstell. 2), en wat evenzeer in het deel als in het geheel is, stelt de wezenheid van geen enkel ding daar. 

Bewijs. Indien gij het ontkent, denk dan als het mogelijk is, dat dit de wezenheid van eenig enkel ding daarstelt, namelijk de wezenheid van B. Derhalve (volgens bep. 2 van dit deel) zal dit zonder B niet kunnen zijn noch gedacht worden. Dit is echter tegen de onderstelling. Dus behoort dit niet tot de wezenheid van B; en stelt ook de wezenheid van geen ander enkel ding daar; w.t.b.w. 

Stelling XXXVIII. Wat aan allen gemeen en wat evenzeer in het deel als in het geheel is kan niet anders dan volledig gedacht worden. 

Bewijs. A zij iets, hetwelk aan alle ligchamen gemeen, en evenzeer in het deel van elk ligchaam als in het geheel is. Nu beweer ik, dat A niet anders dan volledig kan gedacht worden. Want zijn denkbeeld zal (volgens bijst. stell. 7 van dit deel) noodzakelijk in God volledig zijn, zoowel voorzoover hij het denkbeeld van het menschelijke ligchaam als voorzoover hij de denkbeelden van deszelfs aandoeningen heeft, welke (volgens >>

stell. 16. 25 en 27 van dit deel) zoowel de natuur van het menschelijke ligchaam als die van de uitwendige ligchamen gedeeltelijk insluiten, dat is (volgens stell. 12 en 13 van dit deel) dit denkbeeld zal noodzakelijk in God volledig zijn, voorzoover hij de natuur van het menschelijke ligchaam daarstelt, of voorzoover hij denkbeelden heeft, die in den menschelijken geest zijn. De menschelijke geest neemt dus (volgens bijstell. stell. 11 van dit deel) A noodzakelijk volledig waar, en dat wel evenzeer voorzoover hij zichzelven, als voorzoover hij zijn ligchaam of eenig uitwendig ligchaam waarneemt; en A kan op geene andere wijs gedacht worden; w.t.b.w. 

Bijstelling. Hieruit volgt, dat er eenige denkbeelden of begrippen bestaan, die aan alle menschen gemeen zijn. Want (volgens hulpstelling 2) komen alle ligchamen in eenige punten overeen, welke (volgens de vorige stell.) door allen volledig of helder en duidelijk moeten waargenomen worden. 

Stelling XXXIX. Wat aan het menschelijke ligchaam en eenige uitwendige ligchamen, waardoor het menschelijke ligchaam gewoonlijk wordt aangedaan, en in ieder deel daarvan even als in het geheel, gemeen en eigen is, daarvan zal ook in den geest een volledig denkbeeld wezen. 

Bewijs. A zij dat, hetwelk aan het men- >>

schelijke ligchaam en eenige uitwendige ligchamen gemeen en eigen is, en hetwelk evenzeer in het menschelijke ligchaam als in dezelfde uitwendige ligchamen, en eindelijk hetwelk evenzeer in een deel van eenig uitwendig ligchaam als in het geheel is. Nu zal van A zelf in God een volledig denkbeeld bestaan (volg. bijstell. stell. 7 van dit deel) zoowel voor zoover hij het denkbeeld van het menschelijk ligchaam heeft als de denkbeelden der gestelde uitwendige ligchamen. Nu stelle men, dat het menschelijke ligchaam door een uitwendig ligchaam wordt aangedaan door middel van datgene wat het hiermede gemeen heeft, dat is, door middel van A. Het denkbeeld van deze aandoening zal de hoedanigheid A insluiten (volgens stell. 16 van dit deel), en dus (volgens dezelfde bijstell. stell. 7 van dit deel) zal het denkbeeld van deze aandoening, voorzoover zij de hoedanigheid A insluit, in God volledig zijn, voorzoover hij door het denkbeeld van het menschelijke ligchaam is aangedaan, dat is (volgens stell. 1 van dit deel) voorzoover hij de natuur van de menschelijken geest daarstelt. En dus is (volgens bijstell. stell. 11 van dit deel) dit denkbeeld ook in den menschelijken geest volledig; w.t.b.w. 

Bijstelling. Hieruit volgt, dat de geest des te meer volledig kan waarnemen, naar- >>

mate zijn ligchaam meer met andere ligchamen gemeen heeft. 

Stelling XL. Alle denkbeelden in den geest, die uit denkbeelden volgen, welke in hem volledig zijn, zijn ook volledig. 

Bewijs. Dit blijkt. Want wanneer wij zeggen, dat in den menschelijken geest een denkbeeld volgt uit denkbeelden, die in hem volledig zijn, dan zeggen wij niets anders (volgens bijstell. stell. 11 van dit deel) dan dat er in het goddelijk verstand zelf een denkbeeld bestaat, waarvan God de oorzaak is, niet voorzoover hij oneindig is, noch voorzoover hij met de denkbeelden van zeer vele enkele dingen is aangedaan; maar voorzoover hij alleen de wezenheid van den menschelijken geest daarstelt. 

Aanmerking. I. Hiermede heb ik de oorzaak der begrippen, die algemeene genoemd worden en die de grondslag van onze redenering zijn, verklaard. Doch er bestaan andere oorzaken van eenige onmiddelijk klaarblijkelijke waarheden of begrippen, die het van belang zou zijn volgens deze onze redeneerwijze te verklaren. Want hieruit zou blijken, welke begrippen nuttiger dan andere, welke naauwlijks van eenig gebruik zijn; verder welke algemeen zijn en welke alleen voor hen, die niet aan vooroordeelen lijden, helder en duidelijk, en eindelijk welke ongegrond zijn. Verder zou aan het licht komen, waaruit >>

die begrippen, welke men volgende noemt, en dus ook de onmiddelijk klaarblijkelijke waarheden, die daarop gegrond zijn, zijn ontstaan, en nog meer, dat ik hierover eens heb nagevorscht. Doch dewijl ik dit voor eene andere verhandeling (*) bestemd heb, en ook om door de al te groote uitgebreidheid van dit onderwerp geen tegenzin te verwekken, heb ik besloten zulks hier na te laten. Om evenwel niets van datgene over te slaan, wat noodig is te weten, zal ik kortelijk de oorzaken opgeven, waaruit de zoogenaamde bovennatuurlijke benamingen, als wezen, zaak, iets hunnen oorsprong genomen hebben. Deze benamingen ontstaan daaruit, dewijl namelijk het menschelijk ligchaam, daar het beperkt is, slechts een bepaald getal beelden (wat een beeld is heb ik in aanm. stell. 17 van dit deel verklaard) te gelijk duidelijk in zich kan vormen en bevatten; en indien dit wordt te buiten gegaan, dan zullen deze beelden beginnen verward te worden, en indien dit getal beelden, hetwelk het ligchaam te gelijk duidelijk in zich kan vormen, verre wordt overschreden, dan zullen zij allen geheel onder elkander verward worden. Daar dit zoo is, blijkt het uit bijstell. stell. 17 en stell. 18 van dit deel, dat de menschelijke geest zich zooveel ligchamen te gelijk duidelijk zal kunnen verbeelden, als er beelden te gelijk in zijn ligchaam kunnen gevormd worden. 

(*) De onvoltooide Verhandeling over het verbeteren van het verstand.

Doch als de beelden in het ligchaam geheel verward worden, zal de geest zich ook alle ligchamen verward, zonder eenig onderscheid verbeelden en als onder ééne eigenschap zamenvatten, namelijk onder de eigenschap van wezen, ding enz. Dit kan ook daaruit afgeleid worden, omdat de beelden niet altijd even helder zijn, en uit andere hiermede overeenkomende oorzaken, die het niet noodig is hier te verklaren; want tot het doel, waarnaar wij streven, is het genoeg er maar ééne te beschouwen. Allen toch komen hierop neder, dat deze benamingen hoogst verwarde denkbeelden beteekenen. Vervolgens zijn uit dergelijke oorzaken die zoogenaamde algemeene begrippen, als mensch, paard, hond enz. ontstaan. Namelijk omdat in het menschelijke ligchaam zooveel beelden, b.v. van menschen, te gelijk gevormd worden, dat zij de kracht der verbeelding wel niet geheel, maar toch in zooverre te boven gaan, dat de geest zich de kleine verscheidenheden der enkelen (namelijk ieders kleur, grootte enz) en hun bepaald getal niet kan verbeelden, en zich alleen dat, waarin allen, voorzoover het ligchaam er door wordt aangedaan, overeenkomen duidelijk verbeeldt; want daardoor is het ligchaam, namelijk vooral door ieder enkel ding, aangedaan, en dit drukt hij uit met het woord, mensch, en dit verklaart hij van eene oneindige >>
menigte enkele dingen. Want van de enkele dingen kan hij zich, zooals wij gezegd hebben, geen bepaald getal verbeelden. Doch men moet opmerken, dat deze begrippen niet door allen op dezelfde wijs gevormd worden, maar bij ieder verschillend zijn naar evenredigheid van datgene, waardoor het ligchaam het meest is aangedaan, en hetwelk de geest zich met het meeste gemak voorstelt of herinnert. Bij voorbeeld zij, die meermalen met bewondering de gestalte van den mensch beschouwd hebben, denken bij den naam van mensch aan een dier van opgerigte gestalte; doch die gewoon zijn iets anders te beschouwen, zullen een ander algemeen beeld van een mensch vormen, namelijk, dat de mensch een lagchend, een tweebeenig, een ongevleugeld, een redelijk dier is; en zóó zal ieder van de overige dingen naar de stemming zijns ligchaams algemeene beelden vormen. Dus is het geen wonder, dat onder de wijsgeeren, die de natuurlijke dingen alleen door middel van de beelden der dingen hebben willen verklaren, zooveel twisten ontstaan zijn. Aanmerking II. Uit al het boven gezegde blijkt duidelijk, dat wij veel waarnemen en algemeene begrippen vormen 1. uit enkele dingen, die ons door de zinnen gebrekkig, verward en zonder verstandigen zamenhang zijn medegedeeld (zie bijstell. stell. 29 van dit deel), en daarom heb ik mij gewend zulke waarnemingen kennis uit losse ondervinding te noemen. 2. Uit teekens, b.v. daaruit, dat als wij sommige woorden gehoord of gelezen hebben, wij ons de dingen herinneren, en daarvan eenige denkbeelden vormen gelijk aan die, door behulp waarvan wij ons de dingen verbeelden. Zie aanmerk. stell. 18 van dit deel. Deze beide wijzen om de dingen te beschouwen zal ik in 't vervolg kennis van de eerste soort, meening of verbeelding noemen. 3. Eindelijk daaruit, dat wij algemeene begrippen en volledige denkbeelden van de eigenschappen der dingen hebben. Zie bijstell. stell. 38 en 39 met de bijstell. en stell. 40 van dit deel. En deze soort zal ik rede en kennis van de tweede soort noemen. Behalve deze twee soorten van kennis bestaat er, gelijk ik in het vervolg zal aantoonen, eene andere derde, die wij aanschouwelijke wetenschap zullen noemen. En deze soort van kennis gaat van een volledig denkbeeld van de werkelijke wezenheid van eenige eigenschappen >>

Gods over tot de volledige kennis van de wezenheid der dingen. Dit alles zal ik met het voorbeeld van één ding verklaren. Er zijn b.v. drie getallen gegeven, waarbij een vierde moet gezocht worden, dat tot het derde in dezelfde verhouding staat als het tweede tot het eerste. Nu aarzelen de kooplieden niet het tweede met het derde te vermenigvuldigen en het product door het eerste te deelen; omdat zij namelijk nog niet vergeten zijn wat zij van hunnen meester zonder eenig bewijs gehoord hebben, of omdat zij dit dikwijls in de eenvoudigste getallen hebben ondervonden, of op grond van het bewijs van stell. 19 boek 7 der grondbeginselen van Euclides, namelijk op grond van de eerste algemeene eigenschap der evenredigheden. In de eenvoudigste getallen echter is niets van dit alles noodig. Wanneer b.v. de getallen 1, 2, 3 gegeven zijn, dan ziet een iegelijk, dat 6 het vierde evenredige getal is, en dit veel duidelijker, omdat wij uit de verhouding zelve, die wij met éénen blik zien dat het eerste tot het tweede heeft, tot het vierde zelf besluiten. 

Stelling XLI. De kennis van de eerste soort is de eenige oorzaak van dwaling, die van de tweede en derde soort is noodzakelijk waar. 

Bewijs. Wij hebben in de voorgaande aanmerk. gezegd, dat tot de kennis van de eerste soort al die denkbeelden behooren, die onvolledig en verward zijn; en dus >>

is (volgens stell. 35 van dit deel) deze kennis de eenige oorzaak van dwaling. Verder hebben wij gezegd, dat tot de kennis van de tweede en derde soort die begrippen behooren, welke volledig zijn; en dus (volgens stell. 34 van dit deel) is zij noodzakelijk waar; w.t.b.w. 

Stelling XLII. De kennis van de tweede en derde, niet die van de eerste soort leert ons het ware van het valsche te onderscheiden.